Home + Studiecentrum + Thema's + Wieg van Flevoland
Plannen voor de bedijking en droogmaking van de Zuiderzee kregen van de regering nauwelijks aandacht. Hierin kwam verandering toen in 1864 hoge Zuiderzeevloeden schade toebrachten aan de dijken rond de Zuiderzee.
mr J.R. Thorbecke (schilderij van Jozef Israels)
Verschillende waterschapsbesturen uit Overijssel, Friesland en Noord-Holland dienden bij de regering een verzoek in tot droogmaking van de Zuiderzee en vroegen de liberale minister van Binnenlandse Zaken mr J.R. Thorbecke hoe het stond met het onderzoek naar het Plan-Van Diggelen uit 1849.
Thorbecke betwijfelde of een droogmaking van de Zuiderzee kon worden uitgevoerd. In 1861 had de regering een concessie verleend aan de Amsterdamsche Kanaal-Maatschappij voor de aanleg van het Noordzeekanaal. Thorbecke vond niet dat de droogmaking van de Zuiderzee aan particulieren mocht worden overgelaten. Op 7 januari 1865 merkte hij in de Eerste Kamer op: “Voor alsnog evenwel moet ik erkennen, dat de onderneming mij toeschijnt vanwege het rijk en de provincie beter te kunnen worden uitgevoerd.” Deze mening werd niet gedeeld door de Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet.
Vorige: Van Diggelen
Volgende: Nederlandsche maatschappij voor Gront-Krediet