Home + Archief + Waterschrijvers
Voorkant van: Uitkomsten der Rijkswaterpassing / L. Cohen Stuart, H.G. van de Sande Bakhuyzen en G. G. van Diesen. - 's Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1888
(Den Haag 2 apr. 1838 - Leiden 8 jan. 1923), ingenieur, fysicus,
hoogleraar. Studeerde, nadat hij in 1859 zijn diploma als civiel
ingenieur had behaald aan de KA te Delft, wis- en natuurkunde in
Leiden waar hij in 1863 promoveerde op de beweging van
hemellichamen. Was werkzaam als leraar in Den Haag en Utrecht,
sinds 1867 als hoogleraar in de toegepaste natuurkunde aan de PS in
Delft en sinds 1872 als hoogleraar in de sterrenkunde te Leiden.
Volgde aldaar prof. F. Kaiser op als directeur van de sterrenwacht.
Was voorzitter van de Rijkscommissie voor graadmeting en
waterpassing. Schreef o.m. Omtrent de hoogte van den
gemiddelden zeestand in het IJ voor Amsterdam van 1700 tot
1860 (1908) en Nota omtrent eenige bepalingen van de
daling van den bodem van Nederland langs de zeekust (1909).
Ref.: ING 1923 n2 p37. (vdt487)
«
Eerste pagina van: De Zuiderzeeparagraaf der Troonrede / door R.A. van Sandick. - Overdr. uit: De ingenieur: orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs. - (1913) 38 (20 september)
(Terborg 6 dec. 1855 - Den Haag 25 jan. 1933), ingenieur,
leraar, redacteur. Was, na zijn studie aan de PS te Delft, werkzaam
bij de aanleg van de Nieuwe Waterweg en verbleef enige jaren in
NOI, daarna als leraar te Deventer en Amsterdam. Was van 1898 tot
1932 secretaris van het KIVI en tot 1932 hoofdredacteur van De
Ingenieur waarin hij veelvuldig publiceerde en pleitte voor
een brede opleiding van sociaal-technische ingenieurs. Was lid van
PS en sinds 1923 erelid van het KIVI. Zie ook: W. Cool. Ref.: BWN2,
ING 1932 n1 pA1-A3, ING 1933 n5 pA27 en A39-A41. (vdt488)
«
(Sint Annaparochie 24 juni 1890 - Leeuwarden 5 jan. 1956),
onderwijzer, regionaal historicus. Was schoolhoofd te Koten.
Schreef over regionale geschiedenis en onderwijs in Friesland en
het standaardwerk Geschiedenis van Het Bildt (4 dln.,
1951-1956) over de bedijkingsgeschiedenis van het mondingsgebied
van de Middelzee. Ref.: EF. (vdt489)
«
(Scharnegoutum 16 aug. 1904 - Leeuwarden 8 feb. 1979),
ambtenaar, publicist. Werkte van 1928 tot 1969 als wetenschappelijk
ambtenaar bij de Provinciale Bibliotheek van Friesland. Hield vele
dorpshistorische lezingen en schreef talrijke artikelen, merendeels
in het Fries, over allerlei historische onderwerpen w.o. De
Olde Ee en de Sudermude, een onderzoek naar de overblijfselen van
de verbinding van Middelzee en Zuiderzee (1962). Ref.: EF.
(vdt490)
«
(Maastricht 2 sep. 1828 - Arnhem 1 mrt. 1887), ingenieur. Werkte
na zijn studie aan de KA te Delft voor de waterstaat vanuit
verschillende standplaatsen: Arnhem, Purmerend, Hoorn, Leeuwarden,
Zierikzee, Terneuzen, Den Bosch en Leeuwarden. Schreef o.m.
Waterschap Oost- en West Dongeradeel (1876). Ref.: NBW4.
(vdt491)
«
(Ulrum 2 feb. 1883 - Arnhem 1 feb. 1956), ingenieur. Werkte na
zijn studie aan de PS te Delft korte tijd bij RWS en vijf jaar in
Suriname. Was vanaf 1914 werkzaam bij RWS, sinds 1933 als HID in de
directie Bovenrivieren te Arnhem en sinds 1934 tevens als
inspecteur van de Rijnvaart. Schreef artikelen in uiteenlopende
tijdschriften w.o. in De Ingenieur zoals: Waar lag,
ten tijde der Romeinen, het splitsingspunt der Rijn? (1940).
Ref.: PKN, WND. (vdt512)
«
(roepnaam: Chris; zoon van J.F. Schönfeld; Vlissingen 5 juni
1918 - Wageningen 18 mrt. 2005), ingenieur, hoogleraar. Studeerde
in 1943 af als natuurkundig ingenieur aan de TH in Delft op een
afstudeeronderzoek over getijden. Werkte tot 1948 bij de
Octrooiraad in Den Haag en daarna bij de Centrale Studiedienst van
RWS, tot 1969 als hoofdingenieur bij de DWW. Hij promoveerde in
1951 aan de TH in Delft op de voortplanting van getijden en
stormvloeden. Hij werd in 1965 benoemd tot buitengewoon hoogleraar
en was van 1969 tot 1983 gewoon hoogleraar in de afdeling der
weg-en waterbouwkunde van de TH in Delft. Ref.: LW 1966 n4 p207,
TWG 1996 n1 p1-10. (vdt512a)
«
(Groningen 9 feb. 1880 - 's-Graveland 4 okt. 1958), taalkundige.
Studeerde taal- en letterkunde en promoveerde in 1906 op een studie
van germaanse volks- en persoonsnamen. Schreef als deskundige op
het gebied van Nederlandse eigennamen o.m. Veldnamen in
Nederland (1949) en Nederlandse waternamen (1955).
Ontving in 1948 een eredoctoraat van de Universiteit van Leuven.
Ref.: WP7. (vdt513)
«
(Bengkajang NOI 24 sep. 1893 - Velp 8 juli 1975), ingenieur.
Werkte, na in 1918 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, bij RWS
in de Directie Bovenrivieren te Arnhem, van 1940 tot 1958 als HID,
opgevolgd door K. van Til. Schreef o.m. Verbetering van den
Gelderschen IJssel uit technisch oogpunt bekeken (1939), een
hoofdstuk in De Technische Vraagbaak deel W:
Rivieren (met K. van Til en M.A. Jansen; 1951) en
Kanalisatie van Neder Rijn en Lek; algemeen overzicht
(1956). Ref.: ING 1975 n34 p670. (vdt492)
«
(Arnhem 16 aug. 1896 - Den Haag 28 dec. 1963), jurist, minister.
Werkte, na in Leiden te zijn afgestudeerd in de rechten, sinds 1921
in verschillende functies bij het Ministerie van Buitenlandse
Zaken. Was daarnaast buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister,
raadadviseur in algemene dienst, verkeersadviseur en
Rijnvaartcommissaris. Schreef diverse rapporten en artikelen w.o.
Het Rijnvaartregime (met A.C.W. Beerman; 1951). Ref.:
WID5-6. (vdt493)
«
(Meerkerk 17 juli 1917 - Gorinchem 13 nov. 1997), burgemeester,
politicus, regionaal historicus. Werkte, na zijn opleiding aan de
kweekschool, enige tijd als leraar Duits. Was tijdens de Tweede
Wereldoorlog actief in het verzet. Daarna vele jaren burgemeester
van Noordeloos, Hoornaar en Hoogblokland en secretaris van het
Waterschap De Overwaard. Als lid van de TK was hij woordvoerder ter
zake van de afsluiting van de Oosterschelde, waarbij hij pleitte
voor een dam in plaats van een stormvloedkering. Schreef enkele
boeken over waterstaatsgeschiedenis: De waterwolf slaat
toe (over watersnoden in de Alblasserwaard; 1954),
Geschiedenis van de hoge en vrije heerlijkheden van Noordeloos
en Overslingeland (1955) en Vijfentwintig eeuwen
Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (1986). Ref.:
Dertien maal Delta (1981), F. Huis en R. Steenhorst
Maarten Schakel, een onverzettelijk man (1986), LW 1962 n1
p35, WWN2. (vdt494)
«
(Amsterdam 22 apr. 1913 - Eindhoven 4 feb. 1989), fysicus,
hoogleraar. Studeerde wis- en natuurkunde aan de VU te Amsterdam en
was als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het KNMI te De
Bilt. Schreef Onderzoekingen over stormvloeden (1943) en
promoveerde in 1947 op dat onderwerp aan de RU te Utrecht. Werkte
daarna bij Philips te Eindhoven en was hoogleraar aan de VU van
Amsterdam. Ref.: TWG 1996 n1 p6. (vdt495)
«
(roepnaam: Jan; Batavia 5 sep. 1879 - Deventer 3 aug. 1950),
ingenieur. Was, na in 1900 te zijn afgestudeerd aan de PS te Delft,
werkzaam bij RWS achtereenvolgens te Haarlem, Groningen en
Dordrecht. Werd in 1919 belast met de leiding van de werken aan het
Wilhelminakanaal en was van 1923 tot 1930 werkzaam te Alkmaar.
Sinds 1933 hoofdingenieur van de Algemene Dienst van RWS en van
1935 tot 1937 van de Directie Overijssel. Schreef o.m.
Gelijkwaardige afvoeren van - en gelijkwaardige waterstanden op
de Nederlandse Rijntakken (1933) en, voor het eerste deel van
het Handboek der Geografie van Nederland, het omvangrijke
hoofdstuk Hydrografie (1949). Ref.: Gens Nostra
1998 n10 p560-566, WID5. (vdt496)
«
Voorkant van: De afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee in haar beteekenis voor de landsverdediging/ door P.W. Scharroo. - 's-Gravenhage: Blommendaal, 1918. - Overdr. uit: Orgaan der Vereeniging ter beoefening van de Krijgswetenschap. - (1917-1918) VI. - p. 453-538
(Den Haag 16 sep. 1883 - Den Haag 19 aug. 1963) genie-officier,
leraar. Was, na zijn studie aan de KMA te Breda, van 1904 tot 1940
werkzaam als officier bij de Genie en enige jaren als leraar
waterbouwkunde aan de KMA in Breda. Daarnaast vervulde hij diverse
functies op sportgebied. Schreef o.m. De afsluiting en
gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee in haar beteekenis voor
de landsverdediging (1917). Was na zijn pensionering in 1946
zelfstandig technisch adviseur in de bouw- en waterbouwkunde. Ref.:
BJ64, DLW, ING 1963 n39 pA547, PKN, WID5-6, WWN63. (vdt497)
«
(Tzummarum 1 aug. 1928 - Giethoorn 18 jan. 1985),
journalist, voorlichter. Studeerde rechten in Utrecht en
promoveerde daar op De informatieplicht van de
overheid (1979). Was sinds 1960 hoofd van de afdeling
voorlichting bij de Provincie Overijssel en eindredacteur van het
tijdschrift De Mars, sinds 1970 ook van de serie
Jaarboeken Overijssel. Schreef over politiek en
bestuur, biografische, sociaal-geografische en
historisch-geografische onderwerpen zoals: Langs Wieden en
Grachten van Noordwest Overijssel (1984).
(vdt497)
«
(Groningen 1 dec. 1891 - Amsterdam 15 feb. 1939), jurist,
hoogleraar. Studeerde rechten te Groningen en promoveerde op
Overheidszorg voor waterstaatswerken (1916). Was van 1917
tot 1923 advocaat te Rotterdam. In dienst van de provincie schreef
hij Toelichting op het Algemeen Reglement voor de waterschappen
in de provincie Groningen van het jaar 1913 (1919). Werd in
1923 hoogleraar in het handelsrecht te Leiden en in 1927 te
Amsterdam. Had zitting in vele commissies w.o. de
Zuiderzee-commissie. Ref.: BWN1, GEN, PKN, WP7. (vdt498)
«
(Franeker 14 mrt. 1767 - Utrecht 25 sep. 1835), jurist,
publicist. Studeerde rechten en promoveerde in Franeker. Was
advocaat te Leeuwarden, koopman te Amsterdam, raadsheer te Kampen
en kantonrechter te Zaandam. Heeft zeer veel geschreven over
letterkunde, volkskunde en geschiedenis o.m. Proeve eener
geschiedenis der Zuiderzee (1836). Ref.: EF, NBW2.
(vdt499)
«
Voorkant van: Zuiderzee: dood water, nieuw leven / [fotogr.] Kees Scherer; [tekst] Max Dendermonde ; samenst. Henk Nieuwenkamp. - Amsterdam [etc.]: Elsevier, 1985
(Amsterdam 12 okt. 1920 - Amstelveen 19 jan. 1993), fotograaf.
Kreeg vooral bekendheid door zijn foto's van de overstromingsramp
in 1953. Maakte tal van fotoreportages voor tijdschriften en
illustreerde boeken als Nederland, leven met het water
(1978) en Zuiderzee; dood water, nieuw leven (1985). Was
één van de oprichters van World Press Photo. Ref.: BJ94.
(vdt500)
«
(roepnaam: Arie; Gouda 9 feb. 1905 - Gouda 17 feb. 1996),
bioloog, leraar, natuurkenner. Studeerde biologie en promoveerde in
1931 aan de RU te Utrecht op Het plantendek van de
Krimpenerwaard. Begonnen als leraar te Hengelo en Zwolle, was
hij van 1934 tot 1970 leraar biologie aan het middelbaar en
gymnasiaal onderwijs te Gouda. Was mede-oprichter en sinds 1975
erelid van de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming
en van 1952 tot 1992 redacteur van het tijdschrift Lutra
(de otter). Voorts was hij redacteur van Panda-Nieuws en
lid van de Raad van Bijstand van het Wereldnatuurfonds Nederland.
Schreef zeer vele tijdschriftartikelen, diverse schoolboeken en
enkele historisch-geografische uitgaven: De Reeuwijksche en
Sluipwijksche plassen (1930; herdr. 1985), Het landschap
om Gouda in de loop der eeuwen (1937), Natuurmonumenten in
Nederland (red. met A. Coops; 1977) en een bijdrage aan
Terschelling tussen Boschplaat en Behouden Huys; een eerbetoon
aan Wouter van Dieren (1985). Ref.: IBV. (vdt501)
«
(Leeuwarden 9 aug. 1887 - Den Haag 30 aug. 1974), bioloog,
leraar. Studeerde plant- en dierkunde aan de RU te Groningen en
promoveerde in 1917 aldaar cum laude. Was aanvankelijk leraar
biologie te Deventer en Groningen en van 1912 tot 1952 in Den Haag.
Daarnaast was hij van 1938 tot 1953 docent aan de RU te Leiden.
Heeft zeer veel geschreven over plant- en dierkunde, entomologie en
microscopie, daarnaast ook biografisch werk. We noemen slechts:
De studie der venen (1917) en Onze duinen (1938).
Ref.: BJ 1975, IBV, Janus 1975 p1-12, WID5-6, WWN63.
(vdt502)
«
(Middelburg 16 juni 1906 - Den Haag 3 juli 1987), ingenieur.
Was, na in 1929 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, enige
jaren werkzaam bij de Dienst der ZZW en van 1933 tot 1950 bij het
WL als plaatsvervangend directeur. Was daarna in dienst van RWS,
sinds 1959 als HID van de DWW en voorzitter van de Technische
Adviescommissie voor de Waterkeringen. Bezocht diverse buitenlandse
projecten als adviseur van Nedeco in Den Haag. Schreef artikelen in
De Ingenieur w.o. De waterhuishouding van
Nederland (1970) en, met M. Klasema, een hoofdstuk in de
Technische Vraagbaak deel W: Dijken (1951). Zie
ook: J.J. Dronkers. Ref.: WWN63. (vdt503)
«
(Apeldoorn 28 feb. 1915 - Bergen NH 6 feb. 1998), leraar,
regionaal historicus. Was aanvankelijk onderwijzer in Kralingen en
sinds 1946 leraar Engels te Enkhuizen en sinds 1955 te Alkmaar. Was
van 1966 tot 1985 voorzitter van de Vereniging Oud Alkmaar; zette
zich in het bijzonder in voor het behoud van het Noord-Hollandse
landschap, waarvoor hem in 1979 de Zilveren Anjer werd toegekend.
Richtte in 1981 de kring van Vrienden van de Hondsbossche op
waarvan hij tot 1994 voorzitter was. Publiceerde sinds 1961 over
volkskunst, streekgeschiedenis en waterstaat w.o. Wie water
deert - Het Hoogheemraadschap van de uitwaterende sluizen in
Kennemerland en West-Friesland 1544-1969 (1969),
Schermerland; mensen en molens, vroeger en nu (1971;
herdr. 1993), In de ban van de dijk; de Westfriese
Omringdijk (1974) en De Hondsbossche (1981). Ref.: B.
Veer Biografie van Johan Jouke Schilstra (1998).
(vdt504)
«
(Groningen 23 april 1884 - Rotterdam 1 nov. 1972),
waterstaatsjurist, hoogleraar. Studeerde rechten in Groningen en
promoveerde aldaar cum laude in 1909. Werkte tot 1954 als advocaat
en procureur te Rotterdam en was vele jaren lid van PS en GS van
Zuid-Holland. Sinds 1935 lid van de Staatscommissie voor de
Waterstaatswetgeving en sinds 1951 van de Raad van de Waterstaat.
Was van 1941 tot 1945 buitengewoon hoogleraar in het staats- en
administratieve recht aan de TH in Delft. Werd in 1911 benoemd tot
secretaris van de Zuid-Hollandse Waterschapsbond en voerde sinds
1912 de redactie van het tijdschrift Het Waterschap en
sinds 1944 het hoofdredacteurschap van
Waterschapsbelangen. Schreef diverse artikelen over
waterstaatsrecht en het standaardwerk Waterschapsrecht
(1947). Ref.: PKN, WB 1972 n22 p371-372, WID5-6, WWN63.
(vdt505)
«
Eerste pagina van: Les travaux du Zuiderzee et plus spécialement du polder Nord-Est en voie d'aménegement / J.G. Schilthuis. - [S.l. : s.n., 1938]
(Groningen 24 juli 1892 - Groningen 11 nov. 1944), ingenieur.
Was, na zijn studie aan de TH in Delft, sinds 1919 werkzaam bij de
Dienst der ZZW. Schreef daar De Noordoostelijke polder der
Zuiderzeewerken (met V.J.P. de Blocq van Kuffeler en J.Th.
Thijsse; 1939). Volgde in 1939 J. Kooper op als hoofdingenieur van
de PWS van Groningen. Overleed aan de voor hem ondraaglijke
spanningen van de oorlog. Postuum verscheen van hem De
landaanwinning in den Dollard (1946). Ref.: ING 1945 pA127,
ING 1946 pB130, RKS. (vdt506)
«
(Doetinchem 27 sep. 1877 - Enschede 17 nov. 1944), ingenieur.
Was, na zijn studie aan de PS in Delft, werkzaam bij RWS vanuit
verschillende standplaatsen en toonde zich een zeer verdienstelijk
leider van de uitvoering van de Maaskanalisatie. Was hoofd van de
directie Grote Rivieren en van 1933 tot 1942 HID van de directie
Benedenrivieren. Publiceerde in De Ingenieur o.m. Bouw
van sluizen en stuwen voor de Maaskanalisatie (1921) en De
verbetering van het Hellegat (1933). Ref.: ING 1945 pA126.
(vdt507)
«
(Den Bosch 13 sep. 1840 - Den Haag 8 feb. 1911), ingenieur.
Werkte, na zijn opleiding aan de KA te Delft, als civiel ingenieur
bij RWS in Gorinchem, Goes en Den Bosch. Was met name belast met de
uitvoering van stroommetingen op de grote rivieren. Was later
werkzaam in Den Haag, sinds 1903 als IG. Publiceerde over de Maas
o.m. Berekening van den aanvoer van Waalwater naar de Maas over
de Heerewaardensche overlaten in november 1880 (1881). Ref.:
ING 1911 n9 p290-291. (vdt508)
«
(Den Helder 26 okt. 1859 - Breda 19 okt. 1953),
waterbouwkundige. Werkte o.m. als technisch ambtenaar bij RWS in
Noord-Holland. Schreef: De dijkbreuken (1919),
beschouwingen over dijkbreuken langs de Noord-Hollandse kust van de
Zuiderzee na de stormvloedsramp van 1916. (vdt509)
«
(Maastricht 28 mrt. 1849 - Delft 10 mrt. 1897), ingenieur,
hoogleraar. Werd, een jaar na voltooiing van zijn studie aan de PS
te Delft, benoemd tot leraar in wiskunde, landmeten en waterpassen
aan de MA in Breda, later aan de PS te Delft. Was lid van de Rijks
Commissie voor graadmeting en waterpassing en bestuurslid van het
KIVI. Redigeerde, met N.H. Henket en J.M. Telders, het handboek
Waterbouwkunde (1885). Ontving in 1886 een eredoctoraat
van de Universiteit van Leiden. Van jongsaf zwak van gezondheid,
overleed hij na een slopende ziekte op nog middelbare leeftijd.
Ref.: NBW6. (vdt510)
«
(ca. 1798 - 1876), landmeter. Was van 1817 tot 1863
fabriek-landmeter en huisbewaarder van het Hoogheemraadschap van
Schieland te Rotterdam. Zeer verdienstelijk was zijn voorbereiding
en uitvoering van een plan (1842) voor waterverversing van de
binnenstad van Rotterdam. Schreef verschillende rapporten w.o.
Algemeen verslag van de doorbraak in de droogmakerij van
Bleiswijk en Hilligersberg, voorgevallen den 26 sten December
1833 (1836), Gedachten over de wind- of stoombemaling voor
polders, benevens eenige opmerkingen omtrent het stoomtuig de
Leeghwater (1847-1848) en Statistieke opgave en
beschrijving van den Alblasserwaard en de Vijf Heerenlanden
(1850). Zie ook: D.J. Storm Buijsing. Ref.: BW. (vdt511)
«
(roepnaam: Henk; Den Helder 1 feb. 1920 - Hillegom 10 dec.
1997), historisch-geograaf (autodidact). Werkte, na zijn opleiding
aan de kweekschool, overwegend in de bloembollenhandel. Verrichtte
jarenlang diepgaand archief- en literatuuronderzoek naar de
ontstaansgeschiedenis van de Kop van Noord-Holland, waarvoor de UvA
hem in 1990 een eredoctoraat verleende. Schreef o.m. Zeshonderd
jaar water en land (1973) en 't Oge (1979) alsmede
een aantal verspreide geschriften bijeengebracht onder de titel
Kust en Kaart (1990). Ref.: HGT 1990 n1 p34, HGT 1998 n2
p69-70, LW 1973 n4 p36, Waddenbulletin 1997 n1 p20-22, WH
1998 n1 p35-37. (vdt514)
«
(Groningen 29 mei 1912 - Den Haag 21 juni 1998),
waterstaatsjurist. Studeerde rechten in Groningen en was sinds 1949
medewerker bij het Landbouwschap te Den Haag. Was daarnaast
secretaris van de Commissie voor Waterstaats- en
Waterschapsaangelegenheden en Zuiderzeepolders en secretaris van de
Ned. Ver. voor Landaanwinning. Schreef o.m. Bestek voor het
waterschapsbestel (nota 1970), 3 Oktober: watertechniek en
strategie in 1574 (1970) over het ontzet van Leiden door
onderwaterzetting en Cleyn eilant Rottum (1967). Schreef
ook als promotor en beoefenaar van het wadlopen. Ref.: C.M.
Schulten. Met de dood voor ogen (postume autobiografie als
verzetsman tijdens de 2e. WO). (vdt515)
«
(Dordrecht 31 jan. 1864 - Den Haag 17 feb. 1939; begraven op Oud
Eik en Duinen), ambtenaar. Schreef als inspecteur van GW van
Rotterdam een uitvoerige bijlage bij het verslag van de
Staatscommissie Rotterdamse Waterweg: Historisch overzicht van
de hooge vloeden en overstroomingen tot het jaar 1868 (1922).
(vdt516)
«
(Brouwershaven 27 feb. 1754 - Terneuzen 17 juni 1827), ingenieur
(autodidact). Was aanvankelijk zeeman, later werkzaam in de bouw.
Maakte studie van wiskunde en waterbouwkunde en won een prijsvraag
over oeververdediging. Werd inspecteur van Schouwen, Duiveland,
Tholen en Sint Philipsland. Schreef Over de uitloozing van het
landwater uit het eiland Walcheren (1807). Ref.: J.P. van den
Broecke Beschermd door dijk en duin (1975; geschat), EZ,
JCBG, NBW2, OTAR 1950 n11 p97-104. (vdt516)
«
(Harderwijk 23 nov. 1898 - Leeuwarden 4 dec. 1988),
waterstaatsambtenaar. Was sinds 1919 in dienst van de provincie
Friesland, laatstelijk als hoofdadministrateur waterstaat ter
provinciale griffie. Schreef: Algemeen reglement van de
boezemwaterschappen in Friesland (met N. Struiksma; 1929) en
Beknopt overzicht van de provinciale wetgeving op
waterstaatsgebied in Friesland (1944). Ref.: EF.
(vdt518)
«
(Anloo 27 mei 1854 - Deventer 21 juni 1936), leraar, geograaf.
Begon als onderwijzer, was daarna hoofd van een school te
Wildervank. Had grote belangstelling voor landschap en natuur, werd
als vijfentwintigjarige leraar aardrijkskunde aan de
Rijkskweekschool te Deventer. Kreeg grote bekendheid door zijn
schoolatlassen en schoolwandplaten. Wordt, met Beekman en Blink,
beschouwd als vernieuwer van het toenmalig onderwijs in de
aardrijkskunde. Zijn levenswerk is Aardrijkskunde van
Nederland (1884) dat zes verbeterde herdrukken kent; de
laatste getiteld Nederland, handboek der aardrijkskunde (2
dln., 1934-1936) met supplement van zijn leerlingen H.J. Moerman en
G.J.A. Mulder. Ref.: AWN3, W.E. Boerman: R. Schuiling; in:
Geografische Bijzonderheden p1-15 (1924), BWN3, NDV 1955
p16-17. (vdt519)
«
(Scharwoude gem. Avenhorn 27 mrt. 1847 - Den Burg 2 apr. 1934),
onderwijzer. Was vele jaren onderwijzer te Barsingerhorn; verhuisde
in 1927 naar Texel. Schreef twee boeken over de
waterstaatsgeschiedenis van zijn geboortestreek: Hollands
Noorderkwartier met betrekking tot zijn waterstaat; schetsen van
eenige belangrijke waterschappen in Noord-Holland ten dienste van
onderwijs en van gemeente- en waterschapsbesturen (1900) en
De Westfriesche dijk en zijn onderhoud van de vroegste tijden
tot heden (1904). (vdt520)
«
(Zutphen 17 feb. 1886 - Den Haag 1 mei 1967), genie-officier.
Was, na zijn studie aan de KMA te Breda, werkzaam in verschillende
functies bij de Genie. Na drie jaren krijgsgevangenschap in
Duitsland en Polen gepensioneerd als kolonel. Daarna actief in
militaire archieven en als secretaris van de Stichting Menno van
Coehoorn. Schreef o.m. De oude vestingwerken van Nederland
(1941). Ref.: ING 1967 pA327, WID6. (vdt521)
«
Voorkant van: De tolquestie van het Zwolsche Diep ten negende male toegelicht/ door W.J. Schuttevaer. - [Assen: Provinciale Drentsche en Asser Courantdrukkerij], 1866
(Zwolle 17 jan. 1798 - Zwolle 11 aug. 1881), koopman. Behartigde
als gemeenteraadslid in hoge mate de belangen van de stad Zwolle.
Kreeg landelijke bekendheid door oprichting in 1862 van de naar hem
genoemde schippersvereniging ter verbetering van de binnenvaarwegen
en ter verheffing van de schippersstand. Ook zette hij zich in voor
het behoud van het eiland Schokland. Hij schreef o.m.
Beschouwingen over het eiland Schokland naar aanleiding van
eene voorgestelde inkorting (1861) en Eenige historische
meededelingen uit de geschiedenis van het sedert 1843 zoo berucht
geworden Zwolsche Diep tot aan het einde van 1876 (1877).
Ref.: AWN3, KRB, OLB, H. Schuttevaer, Willem Jan
Schuttevaer (1969). (vdt522)
«
(Rijswijk 16 nov. 1846 - Den Haag 3 juni 1929), ingenieur.
Werkte, na zijn studie aan de KA te Delft, bij RWS in Sluis,
Terneuzen, Den Bosch en Dordrecht. Werd in 1898 HID in Limburg
(Maastricht), twee jaar later in Overijssel (Zwolle) en in 1905 van
de Directie der Groote Rivieren te Den Haag. Van zijn weinige
publicaties noemen we: De Merweden (1897). Ref.: ING 1929
n29 pA287-A288. (vdt523)
«
(Zwolle 5 apr. 1896 - Utrecht 6 mrt. 1976), leraar. Studeerde
letteren en geografie in Utrecht en promoveerde in 1933 in Leiden.
Was van 1923 tot 1961 leraar aardrijkskunde en nederlands in
Utrecht. Schreef diverse artikelen over historische geografie w.o.
De oudste geschreven berichten over ons land (1923). Ref.:
WWN63. (vdt524)
«
(Den Haag 15 nov. 1894 - Paterswolde 30 nov. 1978), landbouwer,
regionaal historicus. Deed, naast zijn beroep als landbouwer te
Houwerzijl (1920-1954), onderzoek naar de waterstaatsgeschiedenis
van Groningen en zette dit na zijn pensionering voort. Was
samensteller van de Historische atlas van de provincie Groningen
(1962), waarvoor hij in 1968 een koninklijke onderscheiding
ontving, en schreef Dijkrechten en zijlvesten [in de
Ommelanden] (1974). Ref.: NGE. (vdt525)
«
(ook: Klaes; Leeuwarden 2 juli 1918 - Oenkerk 21
mrt. 2007), publicist, heraldicus. Debuteerde, als lid van de
Nederlandsche Jeugdbond voor Natuurstudie, met De Oude
Venen; het Princehof (1936). Kreeg grote bekendheid als
deskundige op het gebied van overheidswapens en vlaggen. Schreef
talloze artikelen over middeleeuwse figuren, historisch erfgoed,
naamkunde, streektaal en de geschiedenis van zijn woonplaats
Muiderberg en omgeving. Onder zijn pseudoniem Okke Haverkamp
schreef hij in de jaren 1946 en 1947 toeristische boekjes over Urk,
Wieringen en de Waddeneilanden. (vdt525a)
«
(Utrecht 3 feb. 1888 - Zeist 10 nov. 1969), archivaris,
regionaal historicus. Volgde een handels- en daarna een
archiefopleiding. Was van 1919 tot 1953 gemeentearchivaris van
Vlaardingen en sinds 1920 tevens conservator van de Vlaardinger
Oudheidkamer en Visserijmuseum. Schreef over genealogie, heraldiek,
de geschiedenis van scheepvaart en visserij en regionale
geschiedenis w.o. De drie Maassteden: Schiedam, Vlaardingen,
Maassluis (1948). Ref.: WID5-6. (vdt526)
«
(Nieuw Beerta gem. Beerta 11 april 1842 - Groningen 8 april
1926), landbouwer, burgemeester, bestuurder. Was tot 1885
landbouwer in de Reiderwolderpolder, daarna burgemeester van
Bellingwolde. Daarnaast was hij van 1891 tot 1919 lid van GS van
Groningen. Schreef: Bijdrage tot de geschiedenis van de
waterstaatstoestanden van Westerwolde (1924). Ref.: GVA 1927
p1-5, NGE. (vdt527)
«
(roepnaam: Wim; Apeldoorn 13 feb. 1926 - Blaricum 29 mei 2005),
uitgever, publicist. Was, na zijn studie Nederlandse taal- en
letterkunde aan de UvA, tot 1959 boekhandelaar en uitgever. Sinds
1953 was hij directeur-oprichter van Uitgeverij De Beuk in
Amsterdam. Zeer veelzijdig schrijver van beknopte boekjes en
artikelen in kranten en tijdschriften, sinds 1960 ook samen met
J.M. Fuchs. Van zijn boeken noemen we: De Nederlandse
stranden (1968), De Afsluitdijk, recht door zee
(1972) en Nederland, land uit water (1982). Ref.:
WWN2. (vdt527a)
«
(Dronrijp 26 feb. 1872 - Leeuwarden 3 mrt. 1961), filoloog,
taalkundige. Was onderwijzer te Ruinerwold, Sneek en Groningen,
leraar Nederlands te Warffum, Sneek en Leeuwarden en van 1930 tot
1942 lector in de Friese taal- en letterkunde aan de RU van
Groningen. Was een bekend voorvechter van de Friese Beweging,
redacteur van enkele Friestalige tijdschriften en de eerste
voorzitter van de Fryske Akademy. Voor zijn Oudfriesche oorkonden
(3 dln., 1927-1941) verwierf hij in 1941 een eredoctoraat van de
Universiteit van Hamburg. Schreef vele tijdschriftartikelen o.m. op
het gebied van de toponymie w.o. Iets over de namen in het
Princehof (1948). Ref.: BJ62, EF, WID5-6, WWN63.
(vdt528)
«
(Woerden 5 mrt. 1887 - Leiden 6 aug. 1958), jurist, dijkgraaf.
Was, na zijn studie rechten in Utrecht, werkzaam als redacteur van
de Nieuwe Courant en als chef van de afdeling waterstaat
bij de Provinciale Griffie van Overijssel. Was vanaf 1921
secretaris en vanaf 1948 dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van
Rijnland. Schreef in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift
waarvan hij van 1917 tot 1940 medewerker was. Ref.: WID5-6.
(vdt529)
«
(Oostwoud 7 jan. 1931 - Zeist 31 mei 1999),
ingenieur. Werkte, na in 1958 te zijn afgestudeerd aan de TH in
Delft, tot 1961 bij WL. Daarna tot 1982 bij de Dir. Sluizen en
Stuwen in Utrecht, sinds 1976 als HID en opvolger van P. Blokland.
Was van 1982 tot 1992 in dienst van de Hoofddirectie van de
Waterstaat als plaatsvervangend DG van de Waterstaat. Schreef onder
meer: Bouw van het stuwcomplex Amerongen (1962),
Techniek in dienst van het water: de bouw van grote
gemalen door Rijkswaterstaat (1971) en Het Kreekrak
vandaag; de stand van zaken bij de bouw van de Kreekraksluizen in
de Schelde-Rijnverbinding (1973) . (vdt529a)
«
(Haarlem 4 okt. 1886 - Naarden 4 aug. 1964), scheikundige,
leraar, publicist. Studeerde scheikunde aan de UvA en promoveerde
op De chemische samenstelling van het duinwater in verband met
de gesteldheid van de bodem (1913). Was leraar aan
verschillende scholen te Haarlem. Was directeur en eigenaar van een
scheikundig laboratorium in Haarlem waar o.m. drinkwater en
bodemmonsters werden onderzocht. Verrichtte zelfstudie in de
zoölogie, geologie en archeologie en maakte zeer vele studiereizen
in binnen- en buitenland. Schreef boeken over zijn reizen en
diverse tijdschriftartikelen w.o. Het Oudemirdumer Klif
(1928). Ref.: IBV, PKN, WID5-6, WWN63. (vdt530)
«
(Voorst 28 mrt. 1806 - Arnhem 10 dec. 1890), jurist. Studeerde
rechten en promoveerde in 1830 te Utrecht. Was advocaat te Zutphen,
vervolgens griffier te Arnhem. Was sinds 1860 voorzitter van de
Raad van Toezicht op de Staatsspoorwegen en van 1861 tot 1866
gouverneur-generaal van NOI. Verrichtte veel historisch onderzoek
en inventariseerde archieven. Schreef o.m. Beschrijving van den
watervloed in Gelderland in Maart 1855 (met H.F. Fijnje van
Salverda; 1856). Ref.: NBW5, NGL. (vdt531)
«
Dr.ir. S. Smeding in zijn werkkamer.
(Witmarsum 6 feb. 1889 - Lunteren 6 dec. 1967), landbouwkundig
ingenieur, bestuurder. Was, na zijn studie aan de LHS te
Wageningen, leraar in het landbouwonderwijs te Schagen, tevens
rijkslandbouwconsulent voor Noord-Holland. Leidde, als lid van de
Commissie Lovink, het landbouwkundig onderzoek van de proefpolder
bij Andijk en de inrichting van de Wieringermeer, later beschreven
in: Wording en opbouw van de Wieringermeer (1955). Maakte
van 1930 tot 1935 deel uit van de Wieringermeer-directie en was
daarop aansluitend tot 1954 hoofddirecteur van de Directie van de
Wieringermeer. Was van 1938 tot 1941 voorzitter van het openbaar
lichaam De Wieringermeer. Voorts leidde hij de inrichting van de
Noordoostpolder en was van 1942 tot 1954 als landdrost bestuurder
ervan. Ontving in 1948 een eredoctoraat van de LHS in Wageningen en
werd in 1954 benoemd tot ereburger van de gemeente Wieringermeer en
in 1963 van de gemeente Noordoostpolder. Schreef o.m. Nederland
werkt aan zijn toekomst; onze twaalfde provincie (1946). Ref.:
BJ52, BJ68, BWN4, E. Hermsen Dr. ir. S. Smeding (1988),
PKN, VJB, WID5, ZJI, A.J. Zuur e.a. Langs gewonnen velden,
facetten van Smedings werk (1954), ZZP. (vdt532)
«
(Assen 25 mei 1852 - Assen 9 mei 1935), jurist, politicus.
Studeerde rechten en promoveerde te Groningen. Was advocaat te
Assen, later griffier aan het kantongerecht te Meppel. Behartigde
vele jaren de belangen der schippers als voorzitter van de
vereniging Schuttevaer. Was griffier aan het Gerechtshof te
Amsterdam, lid van de TK, PS, Zuiderzeevereniging, Staatscommissie
Zuiderzee en Zuiderzeeraad. Was van 1900 tot 1935 erevoorzitter van
de Vereniging "Eendracht maakt macht". Voor zijn bijzondere inzet
bij de totstandkoming der Zuiderzeewerken werd zijn naam gegeven
aan het gemaal van de Noordoostpolder bij De Voorst. Schreef:
Nieuwe kanalen in verband met de drooglegging der
Zuiderzee (1921). Ref.: BWN4, HLR, J. Linthorst Homan
Necrologie: Harm Smeenge (1936), WG. (vdt533)
«
(roepnaam: Henk; Strijen 15 juni 1918 - Ruffec, Frankrijk 23
juli 2006), landbouwkundig ingenieur, bodemkundige. Werkte, na in
1942 te zijn afgestudeerd aan de LHS in Wageningen, tot zijn
pensionering bij de RIJP, laatstelijk als wetenschappelijk
hoofdambtenaar. Schreef onder meer: De inpolderingen in de
voormalige Zuiderzee (met A.J. Venstra; 1959) en
Zeespiegelbeweging en bodemdaling (met S. Jelgersma en
P.J. Wemelsfelder; 1965). (vdt533a)
«
(Winsum Fr. 11 dec. 1882 - Amsterdam 10 nov. 1950), historicus,
hoogleraar. Begon als onderwijzer te Rijnsburg, studeerde letteren
in Utrecht en werd leraar te Middelburg en Den Haag. Promoveerde in
Utrecht bij G.W. Kernkamp op Walcheren in de vijftiende
eeuw (1916). Was hoogleraar in de economische geschiedenis te
Rotterdam en decaan van de VU te Amsterdam. Schreef diverse boeken
en vele artikelen over de geschiedenis van Rotterdam w.o. De
landmeter N.S. Cruquius en zijn plan tot doorgraving van den Hoek
van Holland Anno 1731 (1941; geschat). Zie ook: P.J. Bouman.
Ref.: BWN1, Jaarboek KNAW 1952, NGL, VVU, WID5.
(vdt534)
«
Titelblad van: De Zuiderzee: een herinneringswerk / woord vooraf H. Colijn; bijdr. door J.C. Ramaer [et al.].- Amsterdam: Scheltema & Holkema, 1932. - bevat o.a. J.L. van Soest, De plantengroei rond de Zuiderzee. - p. 185-194
(Den Haag 13 oct. 1898 - Wassenaar 30 oct. 1983),
elektrotechnisch ingenieur, hoogleraar. Werkte, na in 1925 te zijn
afgestudeerd aan de TH in Delft, o.m. bij Defensie, PTT en van 1948
tot 1963 als directeur van het Physisch Laboratorium RVO-TNO. Was
sinds 1949 hoogleraar in de hoogfrequentietechniek en
informatietheorie aan de TH in Delft. Schreef, vanuit zijn grote
belangstelling voor de plantenwereld, o.m. De plantengroei rond
de Zuiderzee (1932) en Het fluviatiele district in
Nederland en zijn flora (met J.G. Sloff; 1938). Ref.:
Gorteria 1978 n5 p117-193, WID5-6, WWN63. (vdt535)
«
Laatste pagina van: De Eemzee: blijvende oplossing van het totale Nederlandse zoetwaterprobleem / [J. Spaander]. - [Amersfoort : Jan Spaander, 1951]
(Volendam gem. Edam 29 aug. 1885 - Amersfoort 31 juli 1958),
ingenieur (autodidact). Emigreerde na zijn opleiding naar Amerika
en vestigde zich in 1919 te Amersfoort als directeur van Spaander's
Optische Slijperij. Was secretaris van het Technisch Optisch
Gezelschap dat in 1924 te Amersfoort was opgericht en
schreef/redigeerde op dat gebied. Had daarnaast grote
belangstelling voor waterstaatkundige zaken en schreef daarover
o.m. De Amersfoortsche wateren (1950), De Eemzee;
blijvende oplossing van het totale Nederlandse
zoetwaterprobleem (1951) en De erfenis van Leeghwater
(1952). (vdt536)
«
zie: A. den Doolaard
«
(Rotterdam 17 juni 1879 - Alkmaar 16 nov. 1946; begraven te
Harlingen), romanschrijver. Schreef stoere jongensboeken en
populaire historische romans. Publiceerde daarnaast, ten bate van
de slachtoffers, Januari-vloed 1916 (1916). (vdt537)
«
(Amsterdam 25 jan. 1805 - Amsterdam 15 jan. 1882), wiskundige
(autodidact), hoogleraar. Begon als onderwijzer in de wis- en
zeevaartkunde te Antwerpen, daarna te Amsterdam. Vervolgens was hij
ijker in Alkmaar, later in Amsterdam. Ontving in 1844 een
eredoctoraat in de wis- en natuurkunde van de Universiteit van
Leiden. Werd in 1867 hoogleraar in de zuivere en toegepaste
wiskunde aan de PS te Delft. Was nauw betrokken bij de
internationale driehoeksmeting en waterpassing. Schreef o.m.
Over het Amsterdamsche Peil, het A.P. (1864). Ref.: NBW1.
(vdt538)
«
Staring, Winand Carel Hugo
(derde zoon van dichter A.C.W. Staring; Vorden 5 okt. 1808 -
Vorden 4 nov. 1877), geoloog, landbouwkundige, hoogleraar.
Studeerde rechten, later wis- en natuurkunde en promoveerde in
Leiden op Specimen de geologia patriae (1833). Was
secretaris van de in 1852 te Haarlem ingestelde Commissie voor
Geologisch Onderzoek. Vervaardigde te Haarlem de Geologische Kaart
van Nederland (20 bln., 1867) waarmee hij internationale faam
verwierf. Publiceerde zeer veel op het gebied van geologie,
bodemkunde, waterstaat, ontginning en landbouw, w.o. De
Overijsselse wateren (met T.J. Stieltjes; 1848) en het
standaardwerk De bodem van Nederland (2 dln., 1860). Was
korte tijd docent mineralogie aan de PS te Delft en bepleitte de
oprichting van een landbouwhogeschool. Staring wordt algemeen
erkend als de 'vader der Nederlandse geologie'. Ref.: J.van Baren
W.C.H. Staring (1908), GN, HGN dl.1 p33, NBW1, WP7.
(vdt539)
«
Voorkant van: Rapporten met betrekking tot de bodemgesteldheid van de Wieringermeer en van den Andijker proefpolder. - 's-Gravenhage: Ministerie van Verkeer en Waterstaat ter Algemeene Landsdrukkerij, 1929. - bevat o.a. J.F. Steenhuis, De geologische bouw en de geologische wording van den Wieringermeerpolder. - p. 289-300; J.F. Steenhuis, De geologische wording van den proefpolder nabij Andijk en van zijnen ondergrond in den jong pleistocenen, postglacialen en den holocenen tot recenten tijd. - p. 301-305
(Westernieland 17 juni 1883 - Haarlem 15 jan. 1958), geoloog.
Studeerde wis- en natuurkunde te Groningen en promoveerde in Leiden
op Bijdrage tot de kennis van den ondergrond der provinciën
Drenthe en Friesland (1916). Was assistent-geoloog te
Groningen en Delft, later geoloog bij het Rijksbureau voor
Drinkwatervoorziening en de Geologische Stichting te Haarlem. Gaf
een studie uit van wijlen zijn vader, G. Steenhuis, getiteld De
indijking van den Noordpolder (1805-1810) uit nagelaten papieren
voltooid en uitgegeven (1913). Schreef over geologie,
bodemkunde, grondwaterstroming, wichelroedelopen en
drinkwatervoorziening alsmede een bibliografie in afleveringen over
de geologie van Nederland en de overzeese gebiedsdelen. Zie ook:
W.F.J.M. Krul. Ref.: AWN3, EF, Geologie en Mijnbouw 1958
p101, NGE, WID5-6. (vdt540)
«
(Emst gemeente Epe 12 dec. 1916 - Meppel 16 jan. 2006), leraar,
regionaal historicus. Behaalde in 1937 het onderwijzersdiploma en
was onderwijzer in Sint Jansklooster, Almelo, Vaassen, Lochem,
Dwingeloo en Winterswijk. Was van 1957 tot 1980 verbonden als
leraar, later als directeur, aan de Rijks Middelbare Landbouwschool
te Meppel. Maakte, vooral na zijn pensionering, studie van de
geschiedenis van land en volk van Noordwest-Overijssel en schreef
daarover onder meer: Waterig Nederland (1984),
Zwervend door de Kop van Overijssel (2 dln., 1984) en
Giethoorn en de werkverschaffing (1987). (vdt540a)
«
(Amsterdam 9 juni 1896 - Den Haag 18 mei 1945), mijnbouwkundig
ingenieur. Werkte, na zijn studie mijnbouwkunde aan de TH in Delft,
tot 1926 in NOI. Was sindsdien werkzaam bij het RID in Voorburg en
promoveerde in 1933 in Delft op De invloed van de getijbeweging
van zeeën en getijrivieren op de stijghoogte van grondwater.
(vdt541)
«
(Tilburg 13 mei 1835 - Delft 2 apr. 1884), ingenieur,
hoogleraar. Werkte, na in 1855 te zijn afgestudeerd aan de KA in
Delft, enige jaren bij de AD van RWS, belast met het uitvoeren van
waterpassingen en registratie van waterstaatkundige gegevens. Werd
in 1860 arrondissementsingenieur in Den Bosch, daarna te
Leeuwarden. Legde de basis voor de Waterstaatskaart, die na zijn
dood, in 1891 gereed kwam. Werd in 1868 hoogleraar in de
waterbouwkunde aan de PS in Delft. Van zijn publicaties noemen we:
Waterpassingen over de Westerschelde van Vlissingen naar
Breskens en van Neuzen naar Ellewoutsdijk (met J.M.F. Wellan;
1860) en De Rotterdamsche Waterweg (1881). Ref.: NBW2.
(vdt542)
«
(roepnaam: Job; Haarlem 9 feb. 1899 - Nijmegen 18 aug. 1966),
ingenieur, architect. Studeerde zowel bouwkunde als weg- en
waterbouwkunde aan de TH te Delft. Werkte sinds 1924 bij het
ingenieursbureau J. van Hasselt en de Koning te Nijmegen, sinds
1928 als uitvoerend ingenieur van de Ontginningsmij. Land van
Vollenhove te Steenwijk. Was deskundige op het gebied van zowel de
bouw van boerderijen als de inrichting van het boerenland. Schreef
o.m. Partiële bemaling van het waterschap Vollenhove
(1934). Was voorzitter van de Orde van Ned. Raadgevende Ingenieurs.
Zie ook: J.T.P. Bijhouwer. Ref.: Hakoerier 1966 n4 p1-7,
HM 2001 n3 p80, Honderd jaar Haskoning (1981), ING 1966
pA508, RHN p23. (vdt543)
«
Plan voor inpoldering Zuiderzee door H. Stevin, 1667 uit: Het Zuiderzeeproject: drie eeuwen inspiratie voor plannenmakers / samenst. Rijksdienst voor de IJsselmeepolders. - Lelystad: Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, 1976
(tweede zoon van Simon Stevin; Den Haag 1614 - na 1668),
wiskundige. Studeerde wiskunde in Leiden en was tot zijn dood
'ambachtsheer' te Alphen aan de Rijn. Heeft zich zeer
verdienstelijk gemaakt door behoud, bewerken en uitgeven van zijn
vaders manuscripten. Schreef zelf Wisconstich filosophisch
bedrijf (14 boeken; 1664-1668) waarin, in het Twaalfde Boek,
het oudst bekende voorstel voor afsluiting van de Zuiderzee
voorkomt. Ref.: GPZ, NBW5, WP7. (vdt544)
«
(tweede zoon van T.J. Stieltjes; Gramsbergen 26 sep. 1853 - Den
Haag 23 dec. 1923), ingenieur. Was, na in 1874 te zijn afgestudeerd
aan de PS te Delft, twee jaar werkzaam bij RWS belast met
opmetingen voor de kanaalplannen. Werkte vervolgens tot 1882 bij de
spoorwegen, tot 1886 bij het Rijnvaart Comité te Amsterdam, tot
1892 als redacteur van De Ingenieur en tot 1918 als lid
van de raad van toezicht op de spoorwegdiensten. Schreef diverse
artikelen in De Ingenieur alsmede de rapporten De
ontwerpen tot verbetering der vaart van Amsterdam naar
Rotterdam (1877) en Een Rijnvaartkanaal voor
Amsterdam (1881). (vdt545)
«
Voorkant van: Droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee: verzameling van officieele bescheiden uitgegeven door de Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet. - 's- Gravenhage: Van Langenhuysen, 1868. - bevat o.a. Rapport naar aanleiding van het voorloopig verslag van de Raad van den Waterstaat, ingesteld bij ministerile resolutie d.d. 28 augustus 1866, No 229 / door T.J. Stieltjes
(Leuven 19 mei 1819 - Rotterdam 23 juni 1878),
artillerie-officier, ingenieur. Na samenwerking met W.C.H. Staring
voor verbetering van de afwatering en aanleg van scheepvaartkanalen
in Overijssel, werd hij ingenieur-directeur van de Overijsselse
Kanaalmaatschappij te Zwolle. Zijn bekendste werk is De
Nederlandsche hoofdrivieren en de plannen tot hunne verbetering, in
populairen toon beschreven door een oud soldaat (2 dln.,
1850-1851). Adviseerde bij de aanleg van spoorwegen in NOI, een
kanaal door Denemarken, de waterhuishouding van Rijnland en de
afsluiting van de Zuiderzee. De Universiteit van Leiden verleende
hem een eredoctoraat in de wis- en natuurkunde. Zie ook: A.J.
Brevet, J.G. van Gendt, N.H. Henket, L. van de Kasteele, W.C.H.
Staring. Ref.: AWN3, DB1, GPZ, NBW2, WG. (vdt546)
«
(Groningen 13 nov. 1840 - Zutphen 12 okt. 1888), ingenieur.
Werkte na zijn studie aan de KA in Delft bij de aanleg van de
Staatsspoorwegen. Was daarna werkzaam bij de waterstaat in
Breskens, Roermond, Maastricht en Terneuzen. Was vanuit Nijmegen
betrokken bij de verbetering van de bovenrivieren en schreef
daarover: Verslag over de stroomsnelheidsmetingen in 1881 op
den Boven-Rijn en zijne takken (1883). Overleed op jonge
leeftijd aan een psychische stoornis. Ref.: NBW7. (vdt547)
«
(roepnaam: Lize; Sneek 13 mrt. 1923 - Blaricum 20 jan. 1999),
schrijfster, publiciste. Schreef van 1948 tot 1995 tientallen
boeken en honderden artikelen over de meest uiteenlopende
onderwerpen (vooral over mens en maatschappij) en dichtbundels. Op
merkelijk is het boekje Van de ene naar de andere kant; een
verhaal voor de schooljeugd over bruggen, pompen, tanks, stuwdeuren
en nog veel meer (1964). (vdt547a)
«
(Zuilen 14 jan. 1851 - Utrecht 29 mrt. 1934), oceanograaf. Was,
na zijn studie en promotie in de wijsbegeerte te Utrecht, vele
jaren directeur van het Kon. Magnetisch en Meteorologisch
Observatorium in Batavia (NOI). Was daarna directeur van het KNMI
in De Bilt en een erkend deskundige op het gebied van getijden. Was
lid van de Staatscommissie Zuiderzee. Hij schreef o.m.
Getijverschijnselen op de Nederlandsche kust (1901) en
Wind en Water (1906). Werd in 1923 benoemd tot erelid van
het KNAG. Ref.: HJ, NP 1976. (vdt548)
«
(Oudshoorn 16 okt. 1890 - Oegstgeest 28 juni 1976),
elektrotechnisch ingenieur. Werkte, na in 1913 te zijn afgestudeerd
aan de TH in Delft, enige jaren als elektrotechnisch ingenieur in
de industrie. Daarna was hij adjunct-directeur van de Stedelijke
Fabrieken van Gas en Elektriciteit te Leiden en directeur van de
Elektriciteitsmaatschappij Lugdunum. Als deskundige op het gebied
van molens was hij lid, en van 1953 tot 1969 voorzitter, van de
vereniging De Hollandsche Molen te Amsterdam. Hij schreef
verschillende artikelen en boeken w.o. Molens (1961),
waarin ook de watermolen behandeld wordt en een beknopte
autobiografie is opgenomen. Ref.: ING 1976 p654, WWN63.
(vdt549)
«
(Den Haag 18 apr. 1751 - Rotterdam 2 mei 1835), predikant. Was,
na zijn studie aan het seminarie te Amsterdam, predikant te
Schoonhoven, tijdelijk te Brussel en lange tijd in Rotterdam. Naast
zijn grootste verdienste, het onderzoek naar de geschiedenis van de
Remonstranten, publiceerde hij over heel andere onderwerpen, zoals:
Belang van Gelderland, Utrecht en Holland bij het afsluiten van
de Lek, en geschiedenis van die rivier enz. (1809). Ref.:
NBW4. (vdt550)
«
(Ureterp 22 aug. 1873 - Enschede 15 apr. 1948), predikant,
natuurkenner. Studeerde theologie in Leiden en Amsterdam. Was
doopsgezind predikant in Oost- en West Graftdijk en van 1911 tot
1938 te Warga. Was een fervent natuurliefhebber van het
waterlandschap i.h.b. kenner en beschrijver van de Oude Venen
tussen Eernewoude en Grouw. Trok veel op met collega Andries Lucas
Broer. Kreeg grote bekendheid door zijn natuurschetsen in de
tijdschriften Het Vaderland, Haagsche Post,
De Wandelaar en Onze Aarde. Schreef vele boeken
over het waterland w.o. Op Frieslands wijde wateren (1932)
en Een jaar natuurleven (met J.P. Strijbos en A.B. Wigman;
4 dln., 1934-1937). Ref.: BLP, EF, IBV, NP 1987. (vdt551)
«
(Leeuwarden 30 sep. 1802 - Den Haag 16 aug. 1870), ingenieur,
hoogleraar. Na zijn studie aan de artillerie- en genieschool te
Delft, werkte hij voor de waterstaat te Zwolle. Schreef in die tijd
het leerboek Handleiding tot de kennis der waterbouwkunde
(2 dln., 1844-1845). Werd leraar waterbouwkunde te Medemblik,
daarna te Breda en in 1847 hoogleraar aan de in 1842 opgerichte KA
te Delft. Schreef o.m. Memorie over de verbetering van
Delfland's waterstaat (met L.J.A. van der Kun en J.A.
Scholten; 1852). Ref.: JCBG, NBW1. (vdt552)
«
(ca. 1685-1760), dichter te Bovenkarspel. Schreef Ontwerp
tot een minst kostbaare, zeekerste en schielijkste herstelling van
de zorgelijke toestand der Westfriesche zeedijken, zonder dat het
voortknagend zeegewormte daaraan eenige hindernis kan
veroorzaken (met P. van der Deure; 1733; nader ontwerp: 1735).
Ref.: BW. (vdt553)
«
(Haarlem 14 mrt. 1891 - Bentveld 10 mei 1983), journalist,
publicist, ornitholoog. Was, na zijn studie aan de Normaalschool
voor tekenonderwijs te Amsterdam en de Academie voor Beeldende
Kunsten te Den Haag, bouwkundig tekenaar, later architect. Maakte
vele natuurstudies in binnen- en buitenland, in het bijzonder van
vogels. Werd bekend als natuuronderzoeker en schreef, naast
duizenden artikelen, o.m. Een jaar natuurleven (met R.J.
de Stoppelaar en A.B. Wigman; 4 dln., 1934-1937), Van Texel tot
Walcheren (met D.L. Daalder en A. Viruly; 1935) en Al
zwervende vergaar ik (1948). Voor zijn verdienstelijk werk
ontving hij in 1975 de Gouden Lepelaar en in 1977 de Heimans en
Thijsse Prijs. Ref.: BJ84, IBV, PKN, WID5-6, WWN63. (vdt554)
«
(Leeuwarden 26 juli 1914 - Bennekom 7 okt. 1985),
waterbouwkundige. Werkte, na zijn opleiding aan de MTS te
Leeuwarden, sinds 1935 onafgebroken bij RWS in Den Haag. Kreeg in
1944 de leiding van de rekenafdeling bij de Studiedienst van de
Directie Benedenrivieren, later bij de Waterloopkundige Afdeling
van de Deltadienst. Ontwikkelde een elektrisch analogon voor de
simulatie van de getijbeweging in het Nederlandse deltagebied. Was
sinds 1956 tevens wetenschappelijk hoofdambtenaar bij de TH in
Delft. Schreef o.m. De voortplanting van het getij bepaald met
behulp van de elektrotechniek, met inachtneming van de kwadratische
weerstandswet (1948). Ref.: DBD 1985 n114 p171, TWG 1996 p7,
WND. (vdt555)
«
(Willemsoord 25 mrt. 1876 - Haren 26 juni 1956), dijkgraaf.
Werkte aanvankelijk als ambtenaar ter gemeentesecretarie in
Enschede en Steenwijkerwold. Was van 1914 tot 1947 dijkgraaf van
het waterschap Vollenhove. Opperde het plan tot ontginning van de
uitgeveende gronden van Noordwest-Overijssel, sinds 1928 ter hand
genomen door de N.V. Ontginningsmij. Land van Vollenhove te
Steenwijk, waarvan hij directeur was. Schreef o.m.
Beschouwingen omtrent het voorontwerp van een algemeen
reglement voor de waterschappen in Overijssel en ontwerp van den
Overijsselschen Waterschapsbond voor een dergelijk reglement
(1940). Zijn naam werd gegeven aan het in 1920 in gebruik gestelde
gemaal ten noorden van Vollenhove. Ref.: H. Spreen en J.D. van der
Tuin Stad en Wold (1999). (vdt556)
«
(roepnaam: Klaas; Leeuwarden 25 dec. 1876 - Leeuwarden 8 feb.
1939), ambtenaar. Werkte bij de provinciale griffie aan de
oprichting en reglementering van boezemwaterschappen en schreef:
Algemeen reglement van de boezemwaterschappen in Friesland
(met A. Schrijver; 1929). Heeft zich daarnaast verdienstelijk
gemaakt in de strijd tegen drankmisbruik. Ref.: EF. (vdt557)
«
(Doesburg 29 juli 1857 - Den Haag 30 nov. 1933), genie-officier.
Volgde na de HBS in Leiden een opleiding aan de KMA in Breda.
Doorliep alle militaire rangen en werd in 1910 hoofd van de Genie
te Den Haag in de rang van luitenant-generaal. Schreef o.m.
Over den bouw van vestingen, forten, sluizen en verdere werken
t.b.v. de landsverdediging in Nederland van 1847-1897 (1897).
Ref.: ING 1934 n17 pA151. (vdt558)
«
(Delft 1 april 1915 - Leidschendam 10 april
2005), journalist, fotograaf, schrijver. Studeerde letteren in
Leiden, ging in 1937 in de journalistiek en schreef van 1934 tot
1984 vele artikelen en boeken over de geschiedenis van Nederland
als waterland. Maakte reportages van grote bedrijven, sinds 1952
van de Zuiderzeewerken en sinds 1956 van de Deltawerken. Was
hoofdredacteur van het tijdschrift Land en Water en
waterstaatkundig medewerker van de NRC. Hij schreef onder
meer: Glorie van het verleden (1946), Het Deltaplan;
de geboorte (1956), Het eerste offensief; 25 jaar
Afsluitdijk (1957), Drie eilanden Eén (1963),
Bouwen op nieuwe bodem (1967) en Johan
van Veen; de som van een leven (1972). Ref.: H.J. Stuvel.
Grendel van Holland (achterplat; 1961). (vdt558a)
«
Titelblad van: De Zuiderzee en de Kamper eilanden c.a. van voorheen en thans (1363-188) met kaart en plaat, en eene Bijdrage omtrent geheele of gedeeltelijke afsluiting der Zuiderzee, toegelicht door eene Schetskaart / J. Swets. - 's-Gravenhage : Gebr. J.H. van Langenhuysen, 1886
(Hardinxveld 6 okt. 1830 - Utrecht 12 juli 1899),
waterbouwkundige. Werkte aanvankelijk in Wijhe en was van 1866 tot
1881 directeur van Stadswaterwerken in Kampen. Was daarna werkzaam
te Vreeland, Loenen en Nichtevecht en sinds 1890 in Utrecht.
Schreef een aantal technische verhandelingen over o.m. sluisdeuren
alsmede De Zuiderzee en de Kamper eilanden c.a. van voorheen en
thans (1363-1882) (1886), De brug over de rivier den
IJssel voor Kampen van voorheen en thans (1448-1881) (1887) en
De Zuiderzeeplannen; bijdrage omtrent uitwatering en
scheepvaartbelangen in het algemeen en die langs de kust- en
havenplaatsen in het bijzonder in verband met de ontworpen
afsluiting en gedeeltelijke droogmaking binnen de lijn
Wieringen-Friesland (1888). (vdt559)
«
(Oosternijkerk gem. Oostdongeradeel 25 jan. 1862 - Bergen N.H.
12 apr. 1935), griffier. Studeerde rechten en promoveerde in 1885
aan de RU van Groningen. Was aanvankelijk commies bij de
provinciale griffie te Assen, sinds 1893 te Groningen. Volgde in
1895 E. van Loon op als griffier bij de Staten van Groningen, tot
1929. Had veel belangstelling voor waterstaatszaken en schreef
daarover: Over de rechtstoestand der polders (1897),
Memorie nopens den rechtsgrond der heffingen van
verlaatsrechten en passagegelden wegens het gebruik der
Stads-Groninger kanalen (1901) en Dijk- en
waterschapsrecht in Groningen (1926). Ref.: GE. (vdt560)
«