Home + Archief + Waterschrijvers
Voorkant van: Uitkomsten der Rijkswaterpassing / L. Cohen Stuart, H.G. van de Sande Bakhuyzen en G. G. van Diesen. - 's Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1888
(Den Haag 2 apr. 1838 - Leiden 8 jan. 1923), ingenieur, fysicus, hoogleraar. Studeerde, nadat hij in 1859 zijn diploma als civiel ingenieur had behaald aan de KA te Delft, wis- en natuurkunde in Leiden waar hij in 1863 promoveerde op de beweging van hemellichamen. Was werkzaam als leraar in Den Haag en Utrecht, sinds 1867 als hoogleraar in de toegepaste natuurkunde aan de PS in Delft en sinds 1872 als hoogleraar in de sterrenkunde te Leiden. Volgde aldaar prof. F. Kaiser op als directeur van de sterrenwacht. Was voorzitter van de Rijkscommissie voor graadmeting en waterpassing. Schreef o.m. Omtrent de hoogte van den gemiddelden zeestand in het IJ voor Amsterdam van 1700 tot 1860 (1908) en Nota omtrent eenige bepalingen van de daling van den bodem van Nederland langs de zeekust (1909). Ref.: ING 1923 n2 p37. (vdt487)
«
Eerste pagina van: De Zuiderzeeparagraaf der Troonrede / door R.A. van Sandick. - Overdr. uit: De ingenieur: orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs. - (1913) 38 (20 september)
(Terborg 6 dec. 1855 - Den Haag 25 jan. 1933), ingenieur, leraar, redacteur. Was, na zijn studie aan de PS te Delft, werkzaam bij de aanleg van de Nieuwe Waterweg en verbleef enige jaren in NOI, daarna als leraar te Deventer en Amsterdam. Was van 1898 tot 1932 secretaris van het KIVI en tot 1932 hoofdredacteur van De Ingenieur waarin hij veelvuldig publiceerde en pleitte voor een brede opleiding van sociaal-technische ingenieurs. Was lid van PS en sinds 1923 erelid van het KIVI. Zie ook: W. Cool. Ref.: BWN2, ING 1932 n1 pA1-A3, ING 1933 n5 pA27 en A39-A41. (vdt488)
«
(Sint Annaparochie 24 juni 1890 - Leeuwarden 5 jan. 1956), onderwijzer, regionaal historicus. Was schoolhoofd te Koten. Schreef over regionale geschiedenis en onderwijs in Friesland en het standaardwerk Geschiedenis van Het Bildt (4 dln., 1951-1956) over de bedijkingsgeschiedenis van het mondingsgebied van de Middelzee. Ref.: EF. (vdt489)
«
(Scharnegoutum 16 aug. 1904 - Leeuwarden 8 feb. 1979), ambtenaar, publicist. Werkte van 1928 tot 1969 als wetenschappelijk ambtenaar bij de Provinciale Bibliotheek van Friesland. Hield vele dorpshistorische lezingen en schreef talrijke artikelen, merendeels in het Fries, over allerlei historische onderwerpen w.o. De Olde Ee en de Sudermude, een onderzoek naar de overblijfselen van de verbinding van Middelzee en Zuiderzee (1962). Ref.: EF. (vdt490)
«
(Maastricht 2 sep. 1828 - Arnhem 1 mrt. 1887), ingenieur. Werkte na zijn studie aan de KA te Delft voor de waterstaat vanuit verschillende standplaatsen: Arnhem, Purmerend, Hoorn, Leeuwarden, Zierikzee, Terneuzen, Den Bosch en Leeuwarden. Schreef o.m. Waterschap Oost- en West Dongeradeel (1876). Ref.: NBW4. (vdt491)
«
(Ulrum 2 feb. 1883 - Arnhem 1 feb. 1956), ingenieur. Werkte na zijn studie aan de PS te Delft korte tijd bij RWS en vijf jaar in Suriname. Was vanaf 1914 werkzaam bij RWS, sinds 1933 als HID in de directie Bovenrivieren te Arnhem en sinds 1934 tevens als inspecteur van de Rijnvaart. Schreef artikelen in uiteenlopende tijdschriften w.o. in De Ingenieur zoals: Waar lag, ten tijde der Romeinen, het splitsingspunt der Rijn? (1940). Ref.: PKN, WND. (vdt512)
«
(roepnaam: Chris; zoon van J.F. Schönfeld; Vlissingen 5 juni 1918 – Wageningen 18 mrt. 2005), ingenieur, hoogleraar. Studeerde in 1943 af als natuurkundig ingenieur aan de TH in Delft op een afstudeeronderzoek over getijden. Werkte tot 1948 bij de Octrooiraad in Den Haag en daarna bij de Centrale Studiedienst van RWS, tot 1969 als hoofdingenieur bij de DWW. Hij promoveerde in 1951 aan de TH in Delft op de voortplanting van getijden en stormvloeden. Hij werd in 1965 benoemd tot buitengewoon hoogleraar en was van 1969 tot 1983 gewoon hoogleraar in de afdeling der weg-en waterbouwkunde van de TH in Delft. Ref.: LW 1966 n4 p207, TWG 1996 n1 p1-10. (vdt512a)
«
(Groningen 9 feb. 1880 - 's-Graveland 4 okt. 1958), taalkundige. Studeerde taal- en letterkunde en promoveerde in 1906 op een studie van germaanse volks- en persoonsnamen. Schreef als deskundige op het gebied van Nederlandse eigennamen o.m. Veldnamen in Nederland (1949) en Nederlandse waternamen (1955). Ontving in 1948 een eredoctoraat van de Universiteit van Leuven. Ref.: WP7. (vdt513)
«
(Bengkajang NOI 24 sep. 1893 - Velp 8 juli 1975), ingenieur. Werkte, na in 1918 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, bij RWS in de Directie Bovenrivieren te Arnhem, van 1940 tot 1958 als HID, opgevolgd door K. van Til. Schreef o.m. Verbetering van den Gelderschen IJssel uit technisch oogpunt bekeken (1939), een hoofdstuk in De Technische Vraagbaak deel W: Rivieren (met K. van Til en M.A. Jansen; 1951) en Kanalisatie van Neder Rijn en Lek; algemeen overzicht (1956). Ref.: ING 1975 n34 p670. (vdt492)
«
(Arnhem 16 aug. 1896 - Den Haag 28 dec. 1963), jurist, minister. Werkte, na in Leiden te zijn afgestudeerd in de rechten, sinds 1921 in verschillende functies bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Was daarnaast buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister, raadadviseur in algemene dienst, verkeersadviseur en Rijnvaartcommissaris. Schreef diverse rapporten en artikelen w.o. Het Rijnvaartregime (met A.C.W. Beerman; 1951). Ref.: WID5-6. (vdt493)
«
(Meerkerk 17 juli 1917 - Gorinchem 13 nov. 1997), burgemeester, politicus, regionaal historicus. Werkte, na zijn opleiding aan de kweekschool, enige tijd als leraar Duits. Was tijdens de Tweede Wereldoorlog actief in het verzet. Daarna vele jaren burgemeester van Noordeloos, Hoornaar en Hoogblokland en secretaris van het Waterschap De Overwaard. Als lid van de TK was hij woordvoerder ter zake van de afsluiting van de Oosterschelde, waarbij hij pleitte voor een dam in plaats van een stormvloedkering. Schreef enkele boeken over waterstaatsgeschiedenis: De waterwolf slaat toe (over watersnoden in de Alblasserwaard; 1954), Geschiedenis van de hoge en vrije heerlijkheden van Noordeloos en Overslingeland (1955) en Vijfentwintig eeuwen Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (1986). Ref.: Dertien maal Delta (1981), F. Huis en R. Steenhorst Maarten Schakel, een onverzettelijk man (1986), LW 1962 n1 p35, WWN2. (vdt494)
«
(Amsterdam 22 apr. 1913 - Eindhoven 4 feb. 1989), fysicus, hoogleraar. Studeerde wis- en natuurkunde aan de VU te Amsterdam en was als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het KNMI te De Bilt. Schreef Onderzoekingen over stormvloeden (1943) en promoveerde in 1947 op dat onderwerp aan de RU te Utrecht. Werkte daarna bij Philips te Eindhoven en was hoogleraar aan de VU van Amsterdam. Ref.: TWG 1996 n1 p6. (vdt495)
«
(roepnaam: Jan; Batavia 5 sep. 1879 - Deventer 3 aug. 1950), ingenieur. Was, na in 1900 te zijn afgestudeerd aan de PS te Delft, werkzaam bij RWS achtereenvolgens te Haarlem, Groningen en Dordrecht. Werd in 1919 belast met de leiding van de werken aan het Wilhelminakanaal en was van 1923 tot 1930 werkzaam te Alkmaar. Sinds 1933 hoofdingenieur van de Algemene Dienst van RWS en van 1935 tot 1937 van de Directie Overijssel. Schreef o.m. Gelijkwaardige afvoeren van - en gelijkwaardige waterstanden op de Nederlandse Rijntakken (1933) en, voor het eerste deel van het Handboek der Geografie van Nederland, het omvangrijke hoofdstuk Hydrografie (1949). Ref.: Gens Nostra 1998 n10 p560-566, WID5. (vdt496)
«
Voorkant van: De afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee in haar beteekenis voor de landsverdediging/ door P.W. Scharroo. - 's-Gravenhage: Blommendaal, 1918. - Overdr. uit: Orgaan der Vereeniging ter beoefening van de Krijgswetenschap. - (1917-1918) VI. - p. 453-538
(Den Haag 16 sep. 1883 - Den Haag 19 aug. 1963) genie-officier, leraar. Was, na zijn studie aan de KMA te Breda, van 1904 tot 1940 werkzaam als officier bij de Genie en enige jaren als leraar waterbouwkunde aan de KMA in Breda. Daarnaast vervulde hij diverse functies op sportgebied. Schreef o.m. De afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee in haar beteekenis voor de landsverdediging (1917). Was na zijn pensionering in 1946 zelfstandig technisch adviseur in de bouw- en waterbouwkunde. Ref.: BJ64, DLW, ING 1963 n39 pA547, PKN, WID5-6, WWN63. (vdt497)
«
(Groningen 1 dec. 1891 - Amsterdam 15 feb. 1939), jurist, hoogleraar. Studeerde rechten te Groningen en promoveerde op Overheidszorg voor waterstaatswerken (1916). Was van 1917 tot 1923 advocaat te Rotterdam. In dienst van de provincie schreef hij Toelichting op het Algemeen Reglement voor de waterschappen in de provincie Groningen van het jaar 1913 (1919). Werd in 1923 hoogleraar in het handelsrecht te Leiden en in 1927 te Amsterdam. Had zitting in vele commissies w.o. de Zuiderzee-commissie. Ref.: BWN1, GEN, PKN, WP7. (vdt498)
«
(Franeker 14 mrt. 1767 - Utrecht 25 sep. 1835), jurist, publicist. Studeerde rechten en promoveerde in Franeker. Was advocaat te Leeuwarden, koopman te Amsterdam, raadsheer te Kampen en kantonrechter te Zaandam. Heeft zeer veel geschreven over letterkunde, volkskunde en geschiedenis o.m. Proeve eener geschiedenis der Zuiderzee (1836). Ref.: EF, NBW2. (vdt499)
«
Voorkant van: Zuiderzee: dood water, nieuw leven / [fotogr.] Kees Scherer; [tekst] Max Dendermonde ; samenst. Henk Nieuwenkamp. - Amsterdam [etc.]: Elsevier, 1985
(Amsterdam 12 okt. 1920 - Amstelveen 19 jan. 1993), fotograaf. Kreeg vooral bekendheid door zijn foto's van de overstromingsramp in 1953. Maakte tal van fotoreportages voor tijdschriften en illustreerde boeken als Nederland, leven met het water (1978) en Zuiderzee; dood water, nieuw leven (1985). Was één van de oprichters van World Press Photo. Ref.: BJ94. (vdt500)
«
(roepnaam: Arie; Gouda 9 feb. 1905 - Gouda 17 feb. 1996), bioloog, leraar, natuurkenner. Studeerde biologie en promoveerde in 1931 aan de RU te Utrecht op Het plantendek van de Krimpenerwaard. Begonnen als leraar te Hengelo en Zwolle, was hij van 1934 tot 1970 leraar biologie aan het middelbaar en gymnasiaal onderwijs te Gouda. Was mede-oprichter en sinds 1975 erelid van de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming en van 1952 tot 1992 redacteur van het tijdschrift Lutra (de otter). Voorts was hij redacteur van Panda-Nieuws en lid van de Raad van Bijstand van het Wereldnatuurfonds Nederland. Schreef zeer vele tijdschriftartikelen, diverse schoolboeken en enkele historisch-geografische uitgaven: De Reeuwijksche en Sluipwijksche plassen (1930; herdr. 1985), Het landschap om Gouda in de loop der eeuwen (1937), Natuurmonumenten in Nederland (red. met A. Coops; 1977) en een bijdrage aan Terschelling tussen Boschplaat en Behouden Huys; een eerbetoon aan Wouter van Dieren (1985). Ref.: IBV. (vdt501)
«
(Leeuwarden 9 aug. 1887 - Den Haag 30 aug. 1974), bioloog, leraar. Studeerde plant- en dierkunde aan de RU te Groningen en promoveerde in 1917 aldaar cum laude. Was aanvankelijk leraar biologie te Deventer en Groningen en van 1912 tot 1952 in Den Haag. Daarnaast was hij van 1938 tot 1953 docent aan de RU te Leiden. Heeft zeer veel geschreven over plant- en dierkunde, entomologie en microscopie, daarnaast ook biografisch werk. We noemen slechts: De studie der venen (1917) en Onze duinen (1938). Ref.: BJ 1975, IBV, Janus 1975 p1-12, WID5-6, WWN63. (vdt502)
«
(Middelburg 16 juni 1906 - Den Haag 3 juli 1987), ingenieur. Was, na in 1929 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, enige jaren werkzaam bij de Dienst der ZZW en van 1933 tot 1950 bij het WL als plaatsvervangend directeur. Was daarna in dienst van RWS, sinds 1959 als HID van de DWW en voorzitter van de Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen. Bezocht diverse buitenlandse projecten als adviseur van Nedeco in Den Haag. Schreef artikelen in De Ingenieur w.o. De waterhuishouding van Nederland (1970) en, met M. Klasema, een hoofdstuk in de Technische Vraagbaak deel W: Dijken (1951). Zie ook: J.J. Dronkers. Ref.: WWN63. (vdt503)
«
(Apeldoorn 28 feb. 1915 - Bergen NH 6 feb. 1998), leraar, regionaal historicus. Was aanvankelijk onderwijzer in Kralingen en sinds 1946 leraar Engels te Enkhuizen en sinds 1955 te Alkmaar. Was van 1966 tot 1985 voorzitter van de Vereniging Oud Alkmaar; zette zich in het bijzonder in voor het behoud van het Noord-Hollandse landschap, waarvoor hem in 1979 de Zilveren Anjer werd toegekend. Richtte in 1981 de kring van Vrienden van de Hondsbossche op waarvan hij tot 1994 voorzitter was. Publiceerde sinds 1961 over volkskunst, streekgeschiedenis en waterstaat w.o. Wie water deert - Het Hoogheemraadschap van de uitwaterende sluizen in Kennemerland en West-Friesland 1544-1969 (1969), Schermerland; mensen en molens, vroeger en nu (1971; herdr. 1993), In de ban van de dijk; de Westfriese Omringdijk (1974) en De Hondsbossche (1981). Ref.: B. Veer Biografie van Johan Jouke Schilstra (1998). (vdt504)
«
(Groningen 23 april 1884 - Rotterdam 1 nov. 1972), waterstaatsjurist, hoogleraar. Studeerde rechten in Groningen en promoveerde aldaar cum laude in 1909. Werkte tot 1954 als advocaat en procureur te Rotterdam en was vele jaren lid van PS en GS van Zuid-Holland. Sinds 1935 lid van de Staatscommissie voor de Waterstaatswetgeving en sinds 1951 van de Raad van de Waterstaat. Was van 1941 tot 1945 buitengewoon hoogleraar in het staats- en administratieve recht aan de TH in Delft. Werd in 1911 benoemd tot secretaris van de Zuid-Hollandse Waterschapsbond en voerde sinds 1912 de redactie van het tijdschrift Het Waterschap en sinds 1944 het hoofdredacteurschap van Waterschapsbelangen. Schreef diverse artikelen over waterstaatsrecht en het standaardwerk Waterschapsrecht (1947). Ref.: PKN, WB 1972 n22 p371-372, WID5-6, WWN63. (vdt505)
«
Eerste pagina van: Les travaux du Zuiderzee et plus spécialement du polder Nord-Est en voie d'aménegement / J.G. Schilthuis. - [S.l. : s.n., 1938]
(Groningen 24 juli 1892 - Groningen 11 nov. 1944), ingenieur. Was, na zijn studie aan de TH in Delft, sinds 1919 werkzaam bij de Dienst der ZZW. Schreef daar De Noordoostelijke polder der Zuiderzeewerken (met V.J.P. de Blocq van Kuffeler en J.Th. Thijsse; 1939). Volgde in 1939 J. Kooper op als hoofdingenieur van de PWS van Groningen. Overleed aan de voor hem ondraaglijke spanningen van de oorlog. Postuum verscheen van hem De landaanwinning in den Dollard (1946). Ref.: ING 1945 pA127, ING 1946 pB130, RKS. (vdt506)
«
(Doetinchem 27 sep. 1877 - Enschede 17 nov. 1944), ingenieur. Was, na zijn studie aan de PS in Delft, werkzaam bij RWS vanuit verschillende standplaatsen en toonde zich een zeer verdienstelijk leider van de uitvoering van de Maaskanalisatie. Was hoofd van de directie Grote Rivieren en van 1933 tot 1942 HID van de directie Benedenrivieren. Publiceerde in De Ingenieur o.m. Bouw van sluizen en stuwen voor de Maaskanalisatie (1921) en De verbetering van het Hellegat (1933). Ref.: ING 1945 pA126. (vdt507)
«
(Den Bosch 13 sep. 1840 - Den Haag 8 feb. 1911), ingenieur. Werkte, na zijn opleiding aan de KA te Delft, als civiel ingenieur bij RWS in Gorinchem, Goes en Den Bosch. Was met name belast met de uitvoering van stroommetingen op de grote rivieren. Was later werkzaam in Den Haag, sinds 1903 als IG. Publiceerde over de Maas o.m. Berekening van den aanvoer van Waalwater naar de Maas over de Heerewaardensche overlaten in november 1880 (1881). Ref.: ING 1911 n9 p290-291. (vdt508)
«
(Den Helder 26 okt. 1859 - Breda 19 okt. 1953), waterbouwkundige. Werkte o.m. als technisch ambtenaar bij RWS in Noord-Holland. Schreef: De dijkbreuken (1919), beschouwingen over dijkbreuken langs de Noord-Hollandse kust van de Zuiderzee na de stormvloedsramp van 1916. (vdt509)
«
(Maastricht 28 mrt. 1849 - Delft 10 mrt. 1897), ingenieur, hoogleraar. Werd, een jaar na voltooiing van zijn studie aan de PS te Delft, benoemd tot leraar in wiskunde, landmeten en waterpassen aan de MA in Breda, later aan de PS te Delft. Was lid van de Rijks Commissie voor graadmeting en waterpassing en bestuurslid van het KIVI. Redigeerde, met N.H. Henket en J.M. Telders, het handboek Waterbouwkunde (1885). Ontving in 1886 een eredoctoraat van de Universiteit van Leiden. Van jongsaf zwak van gezondheid, overleed hij na een slopende ziekte op nog middelbare leeftijd. Ref.: NBW6. (vdt510)
«
(ca. 1798 - 1876), landmeter. Was van 1817 tot 1863 fabriek-landmeter en huisbewaarder van het Hoogheemraadschap van Schieland te Rotterdam. Zeer verdienstelijk was zijn voorbereiding en uitvoering van een plan (1842) voor waterverversing van de binnenstad van Rotterdam. Schreef verschillende rapporten w.o. Algemeen verslag van de doorbraak in de droogmakerij van Bleiswijk en Hilligersberg, voorgevallen den 26 sten December 1833 (1836), Gedachten over de wind- of stoombemaling voor polders, benevens eenige opmerkingen omtrent het stoomtuig de Leeghwater (1847-1848) en Statistieke opgave en beschrijving van den Alblasserwaard en de Vijf Heerenlanden (1850). Zie ook: D.J. Storm Buijsing. Ref.: BW. (vdt511)
«
(roepnaam: Henk; Den Helder 1 feb. 1920 - Hillegom 10 dec. 1997), historisch-geograaf (autodidact). Werkte, na zijn opleiding aan de kweekschool, overwegend in de bloembollenhandel. Verrichtte jarenlang diepgaand archief- en literatuuronderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van de Kop van Noord-Holland, waarvoor de UvA hem in 1990 een eredoctoraat verleende. Schreef o.m. Zeshonderd jaar water en land (1973) en 't Oge (1979) alsmede een aantal verspreide geschriften bijeengebracht onder de titel Kust en Kaart (1990). Ref.: HGT 1990 n1 p34, HGT 1998 n2 p69-70, LW 1973 n4 p36, Waddenbulletin 1997 n1 p20-22, WH 1998 n1 p35-37. (vdt514)
«
(Groningen 29 mei 1912 - Den Haag 21 juni 1998), waterstaatsjurist. Studeerde rechten in Groningen en was sinds 1949 medewerker bij het Landbouwschap te Den Haag. Was daarnaast secretaris van de Commissie voor Waterstaats- en Waterschapsaangelegenheden en Zuiderzeepolders en secretaris van de Ned. Ver. voor Landaanwinning. Schreef o.m. Bestek voor het waterschapsbestel (nota 1970), 3 Oktober: watertechniek en strategie in 1574 (1970) over het ontzet van Leiden door onderwaterzetting en Cleyn eilant Rottum (1967). Schreef ook als promotor en beoefenaar van het wadlopen. Ref.: C.M. Schulten. Met de dood voor ogen (postume autobiografie als verzetsman tijdens de 2e. WO). (vdt515)
«
(Dordrecht 31 jan. 1864 - Den Haag 17 feb. 1939; begraven op Oud Eik en Duinen), ambtenaar. Schreef als inspecteur van GW van Rotterdam een uitvoerige bijlage bij het verslag van de Staatscommissie Rotterdamse Waterweg: Historisch overzicht van de hooge vloeden en overstroomingen tot het jaar 1868 (1922). (vdt516)
«
(Brouwershaven 27 feb. 1754 - Terneuzen 17 juni 1827), ingenieur (autodidact). Was aanvankelijk zeeman, later werkzaam in de bouw. Maakte studie van wiskunde en waterbouwkunde en won een prijsvraag over oeververdediging. Werd inspecteur van Schouwen, Duiveland, Tholen en Sint Philipsland. Schreef Over de uitloozing van het landwater uit het eiland Walcheren (1807). Ref.: J.P. van den Broecke Beschermd door dijk en duin (1975; geschat), EZ, JCBG, NBW2, OTAR 1950 n11 p97-104. (vdt516)
«
(Harderwijk 23 nov. 1898 - Leeuwarden 4 dec. 1988), waterstaatsambtenaar. Was sinds 1919 in dienst van de provincie Friesland, laatstelijk als hoofdadministrateur waterstaat ter provinciale griffie. Schreef: Algemeen reglement van de boezemwaterschappen in Friesland (met N. Struiksma; 1929) en Beknopt overzicht van de provinciale wetgeving op waterstaatsgebied in Friesland (1944). Ref.: EF. (vdt518)
«
(Anloo 27 mei 1854 - Deventer 21 juni 1936), leraar, geograaf. Begon als onderwijzer, was daarna hoofd van een school te Wildervank. Had grote belangstelling voor landschap en natuur, werd als vijfentwintigjarige leraar aardrijkskunde aan de Rijkskweekschool te Deventer. Kreeg grote bekendheid door zijn schoolatlassen en schoolwandplaten. Wordt, met Beekman en Blink, beschouwd als vernieuwer van het toenmalig onderwijs in de aardrijkskunde. Zijn levenswerk is Aardrijkskunde van Nederland (1884) dat zes verbeterde herdrukken kent; de laatste getiteld Nederland, handboek der aardrijkskunde (2 dln., 1934-1936) met supplement van zijn leerlingen H.J. Moerman en G.J.A. Mulder. Ref.: AWN3, W.E. Boerman: R. Schuiling; in: Geografische Bijzonderheden p1-15 (1924), BWN3, NDV 1955 p16-17. (vdt519)
«
(Scharwoude gem. Avenhorn 27 mrt. 1847 - Den Burg 2 apr. 1934), onderwijzer. Was vele jaren onderwijzer te Barsingerhorn; verhuisde in 1927 naar Texel. Schreef twee boeken over de waterstaatsgeschiedenis van zijn geboortestreek: Hollands Noorderkwartier met betrekking tot zijn waterstaat; schetsen van eenige belangrijke waterschappen in Noord-Holland ten dienste van onderwijs en van gemeente- en waterschapsbesturen (1900) en De Westfriesche dijk en zijn onderhoud van de vroegste tijden tot heden (1904). (vdt520)
«
(Zutphen 17 feb. 1886 - Den Haag 1 mei 1967), genie-officier. Was, na zijn studie aan de KMA te Breda, werkzaam in verschillende functies bij de Genie. Na drie jaren krijgsgevangenschap in Duitsland en Polen gepensioneerd als kolonel. Daarna actief in militaire archieven en als secretaris van de Stichting Menno van Coehoorn. Schreef o.m. De oude vestingwerken van Nederland (1941). Ref.: ING 1967 pA327, WID6. (vdt521)
«
Voorkant van: De tolquestie van het Zwolsche Diep ten negende male toegelicht/ door W.J. Schuttevaer. - [Assen: Provinciale Drentsche en Asser Courantdrukkerij], 1866
(Zwolle 17 jan. 1798 - Zwolle 11 aug. 1881), koopman. Behartigde als gemeenteraadslid in hoge mate de belangen van de stad Zwolle. Kreeg landelijke bekendheid door oprichting in 1862 van de naar hem genoemde schippersvereniging ter verbetering van de binnenvaarwegen en ter verheffing van de schippersstand. Ook zette hij zich in voor het behoud van het eiland Schokland. Hij schreef o.m. Beschouwingen over het eiland Schokland naar aanleiding van eene voorgestelde inkorting (1861) en Eenige historische meededelingen uit de geschiedenis van het sedert 1843 zoo berucht geworden Zwolsche Diep tot aan het einde van 1876 (1877). Ref.: AWN3, KRB, OLB, H. Schuttevaer, Willem Jan Schuttevaer (1969). (vdt522)
«
(Rijswijk 16 nov. 1846 - Den Haag 3 juni 1929), ingenieur. Werkte, na zijn studie aan de KA te Delft, bij RWS in Sluis, Terneuzen, Den Bosch en Dordrecht. Werd in 1898 HID in Limburg (Maastricht), twee jaar later in Overijssel (Zwolle) en in 1905 van de Directie der Groote Rivieren te Den Haag. Van zijn weinige publicaties noemen we: De Merweden (1897). Ref.: ING 1929 n29 pA287-A288. (vdt523)
«
(Zwolle 5 apr. 1896 - Utrecht 6 mrt. 1976), leraar. Studeerde letteren en geografie in Utrecht en promoveerde in 1933 in Leiden. Was van 1923 tot 1961 leraar aardrijkskunde en nederlands in Utrecht. Schreef diverse artikelen over historische geografie w.o. De oudste geschreven berichten over ons land (1923). Ref.: WWN63. (vdt524)
«
(Den Haag 15 nov. 1894 - Paterswolde 30 nov. 1978), landbouwer, regionaal historicus. Deed, naast zijn beroep als landbouwer te Houwerzijl (1920-1954), onderzoek naar de waterstaatsgeschiedenis van Groningen en zette dit na zijn pensionering voort. Was samensteller van de Historische atlas van de provincie Groningen (1962), waarvoor hij in 1968 een koninklijke onderscheiding ontving, en schreef Dijkrechten en zijlvesten [in de Ommelanden] (1974). Ref.: NGE. (vdt525)
«
(Utrecht 3 feb. 1888 - Zeist 10 nov. 1969), archivaris, regionaal historicus. Volgde een handels- en daarna een archiefopleiding. Was van 1919 tot 1953 gemeentearchivaris van Vlaardingen en sinds 1920 tevens conservator van de Vlaardinger Oudheidkamer en Visserijmuseum. Schreef over genealogie, heraldiek, de geschiedenis van scheepvaart en visserij en regionale geschiedenis w.o. De drie Maassteden: Schiedam, Vlaardingen, Maassluis (1948). Ref.: WID5-6. (vdt526)
«
(Nieuw Beerta gem. Beerta 11 april 1842 - Groningen 8 april 1926), landbouwer, burgemeester, bestuurder. Was tot 1885 landbouwer in de Reiderwolderpolder, daarna burgemeester van Bellingwolde. Daarnaast was hij van 1891 tot 1919 lid van GS van Groningen. Schreef: Bijdrage tot de geschiedenis van de waterstaatstoestanden van Westerwolde (1924). Ref.: GVA 1927 p1-5, NGE. (vdt527)
«
(Dronrijp 26 feb. 1872 - Leeuwarden 3 mrt. 1961), filoloog, taalkundige. Was onderwijzer te Ruinerwold, Sneek en Groningen, leraar Nederlands te Warffum, Sneek en Leeuwarden en van 1930 tot 1942 lector in de Friese taal- en letterkunde aan de RU van Groningen. Was een bekend voorvechter van de Friese Beweging, redacteur van enkele Friestalige tijdschriften en de eerste voorzitter van de Fryske Akademy. Voor zijn Oudfriesche oorkonden (3 dln., 1927-1941) verwierf hij in 1941 een eredoctoraat van de Universiteit van Hamburg. Schreef vele tijdschriftartikelen o.m. op het gebied van de toponymie w.o. Iets over de namen in het Princehof (1948). Ref.: BJ62, EF, WID5-6, WWN63. (vdt528)
«
(Woerden 5 mrt. 1887 - Leiden 6 aug. 1958), jurist, dijkgraaf. Was, na zijn studie rechten in Utrecht, werkzaam als redacteur van de Nieuwe Courant en als chef van de afdeling waterstaat bij de Provinciale Griffie van Overijssel. Was vanaf 1921 secretaris en vanaf 1948 dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Schreef in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift waarvan hij van 1917 tot 1940 medewerker was. Ref.: WID5-6. (vdt529)
«
(Haarlem 4 okt. 1886 - Naarden 4 aug. 1964), scheikundige, leraar, publicist. Studeerde scheikunde aan de UvA en promoveerde op De chemische samenstelling van het duinwater in verband met de gesteldheid van de bodem (1913). Was leraar aan verschillende scholen te Haarlem. Was directeur en eigenaar van een scheikundig laboratorium in Haarlem waar o.m. drinkwater en bodemmonsters werden onderzocht. Verrichtte zelfstudie in de zoölogie, geologie en archeologie en maakte zeer vele studiereizen in binnen- en buitenland. Schreef boeken over zijn reizen en diverse tijdschriftartikelen w.o. Het Oudemirdumer Klif (1928). Ref.: IBV, PKN, WID5-6, WWN63. (vdt530)
«
(Voorst 28 mrt. 1806 - Arnhem 10 dec. 1890), jurist. Studeerde rechten en promoveerde in 1830 te Utrecht. Was advocaat te Zutphen, vervolgens griffier te Arnhem. Was sinds 1860 voorzitter van de Raad van Toezicht op de Staatsspoorwegen en van 1861 tot 1866 gouverneur-generaal van NOI. Verrichtte veel historisch onderzoek en inventariseerde archieven. Schreef o.m. Beschrijving van den watervloed in Gelderland in Maart 1855 (met H.F. Fijnje van Salverda; 1856). Ref.: NBW5, NGL. (vdt531)
«
Dr.ir. S. Smeding in zijn werkkamer.
(Witmarsum 6 feb. 1889 - Lunteren 6 dec. 1967), landbouwkundig ingenieur, bestuurder. Was, na zijn studie aan de LHS te Wageningen, leraar in het landbouwonderwijs te Schagen, tevens rijkslandbouwconsulent voor Noord-Holland. Leidde, als lid van de Commissie Lovink, het landbouwkundig onderzoek van de proefpolder bij Andijk en de inrichting van de Wieringermeer, later beschreven in: Wording en opbouw van de Wieringermeer (1955). Maakte van 1930 tot 1935 deel uit van de Wieringermeer-directie en was daarop aansluitend tot 1954 hoofddirecteur van de RIJP. Was van 1938 tot 1941 voorzitter van het openbaar lichaam De Wieringermeer. Voorts leidde hij de inrichting van de Noordoostpolder en was van 1942 tot 1954 als landdrost bestuurder ervan. Ontving in 1948 een eredoctoraat van de LHS in Wageningen en werd in 1954 benoemd tot ereburger van de gemeente Wieringermeer en in 1963 van de gemeente Noordoostpolder. Schreef o.m. Nederland werkt aan zijn toekomst; onze twaalfde provincie (1946). Ref.: BJ52, BJ68, BWN4, E. Hermsen Dr. ir. S. Smeding (1988), PKN, VJB, WID5, ZJI, A.J. Zuur e.a. Langs gewonnen velden, facetten van Smedings werk (1954), ZZP. (vdt532)
«
(Assen 25 mei 1852 - Assen 9 mei 1935), jurist, politicus. Studeerde rechten en promoveerde te Groningen. Was advocaat te Assen, later griffier aan het kantongerecht te Meppel. Behartigde vele jaren de belangen der schippers als voorzitter van de vereniging Schuttevaer. Was griffier aan het Gerechtshof te Amsterdam, lid van de TK, PS, Zuiderzeevereniging, Staatscommissie Zuiderzee en Zuiderzeeraad. Was van 1900 tot 1935 erevoorzitter van de Vereniging "Eendracht maakt macht". Voor zijn bijzondere inzet bij de totstandkoming der Zuiderzeewerken werd zijn naam gegeven aan het gemaal van de Noordoostpolder bij De Voorst. Schreef: Nieuwe kanalen in verband met de drooglegging der Zuiderzee (1921). Ref.: BWN4, HLR, J. Linthorst Homan Necrologie: Harm Smeenge (1936), WG. (vdt533)
«
(Winsum Fr. 11 dec. 1882 - Amsterdam 10 nov. 1950), historicus, hoogleraar. Begon als onderwijzer te Rijnsburg, studeerde letteren in Utrecht en werd leraar te Middelburg en Den Haag. Promoveerde in Utrecht bij G.W. Kernkamp op Walcheren in de vijftiende eeuw (1916). Was hoogleraar in de economische geschiedenis te Rotterdam en decaan van de VU te Amsterdam. Schreef diverse boeken en vele artikelen over de geschiedenis van Rotterdam w.o. De landmeter N.S. Cruquius en zijn plan tot doorgraving van den Hoek van Holland Anno 1731 (1941; geschat). Zie ook: P.J. Bouman. Ref.: BWN1, Jaarboek KNAW 1952, NGL, VVU, WID5. (vdt534)
«
Titelblad van: De Zuiderzee: een herinneringswerk / woord vooraf H. Colijn; bijdr. door J.C. Ramaer [et al.].- Amsterdam: Scheltema & Holkema, 1932. – bevat o.a. J.L. van Soest, De plantengroei rond de Zuiderzee. - p. 185-194
(Den Haag 13 oct. 1898 - Wassenaar 30 oct. 1983), elektrotechnisch ingenieur, hoogleraar. Werkte, na in 1925 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, o.m. bij Defensie, PTT en van 1948 tot 1963 als directeur van het Physisch Laboratorium RVO-TNO. Was sinds 1949 hoogleraar in de hoogfrequentietechniek en informatietheorie aan de TH in Delft. Schreef, vanuit zijn grote belangstelling voor de plantenwereld, o.m. De plantengroei rond de Zuiderzee (1932) en Het fluviatiele district in Nederland en zijn flora (met J.G. Sloff; 1938). Ref.: Gorteria 1978 n5 p117-193, WID5-6, WWN63. (vdt535)
«
Laatste pagina van: De Eemzee: blijvende oplossing van het totale Nederlandse zoetwaterprobleem / [J. Spaander]. - [Amersfoort : Jan Spaander, 1951]
(Volendam gem. Edam 29 aug. 1885 - Amersfoort 31 juli 1958), ingenieur (autodidact). Emigreerde na zijn opleiding naar Amerika en vestigde zich in 1919 te Amersfoort als directeur van Spaander's Optische Slijperij. Was secretaris van het Technisch Optisch Gezelschap dat in 1924 te Amersfoort was opgericht en schreef/redigeerde op dat gebied. Had daarnaast grote belangstelling voor waterstaatkundige zaken en schreef daarover o.m. De Amersfoortsche wateren (1950), De Eemzee; blijvende oplossing van het totale Nederlandse zoetwaterprobleem (1951) en De erfenis van Leeghwater (1952). (vdt536)
«
zie: A. den Doolaard
«
(Rotterdam 17 juni 1879 - Alkmaar 16 nov. 1946; begraven te Harlingen), romanschrijver. Schreef stoere jongensboeken en populaire historische romans. Publiceerde daarnaast, ten bate van de slachtoffers, Januari-vloed 1916 (1916). (vdt537)
«
(Amsterdam 25 jan. 1805 - Amsterdam 15 jan. 1882), wiskundige (autodidact), hoogleraar. Begon als onderwijzer in de wis- en zeevaartkunde te Antwerpen, daarna te Amsterdam. Vervolgens was hij ijker in Alkmaar, later in Amsterdam. Ontving in 1844 een eredoctoraat in de wis- en natuurkunde van de Universiteit van Leiden. Werd in 1867 hoogleraar in de zuivere en toegepaste wiskunde aan de PS te Delft. Was nauw betrokken bij de internationale driehoeksmeting en waterpassing. Schreef o.m. Over het Amsterdamsche Peil, het A.P. (1864). Ref.: NBW1. (vdt538)
«
Staring, Winand Carel Hugo
(derde zoon van dichter A.C.W. Staring; Vorden 5 okt. 1808 - Vorden 4 nov. 1877), geoloog, landbouwkundige, hoogleraar. Studeerde rechten, later wis- en natuurkunde en promoveerde in Leiden op Specimen de geologia patriae (1833). Was secretaris van de in 1852 te Haarlem ingestelde Commissie voor Geologisch Onderzoek. Vervaardigde te Haarlem de Geologische Kaart van Nederland (20 bln., 1867) waarmee hij internationale faam verwierf. Publiceerde zeer veel op het gebied van geologie, bodemkunde, waterstaat, ontginning en landbouw, w.o. De Overijsselse wateren (met T.J. Stieltjes; 1848) en het standaardwerk De bodem van Nederland (2 dln., 1860). Was korte tijd docent mineralogie aan de PS te Delft en bepleitte de oprichting van een landbouwhogeschool. Staring wordt algemeen erkend als de 'vader der Nederlandse geologie'. Ref.: J.van Baren W.C.H. Staring (1908), GN, HGN dl.1 p33, NBW1, WP7. (vdt539)
«
Voorkant van: Rapporten met betrekking tot de bodemgesteldheid van de Wieringermeer en van den Andijker proefpolder. - 's-Gravenhage: Ministerie van Verkeer en Waterstaat ter Algemeene Landsdrukkerij, 1929. – bevat o.a. J.F. Steenhuis, De geologische bouw en de geologische wording van den Wieringermeerpolder. - p. 289-300; J.F. Steenhuis, De geologische wording van den proefpolder nabij Andijk en van zijnen ondergrond in den jong pleistocenen, postglacialen en den holocenen tot recenten tijd. - p. 301-305
(Westernieland 17 juni 1883 - Haarlem 15 jan. 1958), geoloog. Studeerde wis- en natuurkunde te Groningen en promoveerde in Leiden op Bijdrage tot de kennis van den ondergrond der provinciën Drenthe en Friesland (1916). Was assistent-geoloog te Groningen en Delft, later geoloog bij het Rijksbureau voor Drinkwatervoorziening en de Geologische Stichting te Haarlem. Gaf een studie uit van wijlen zijn vader, G. Steenhuis, getiteld De indijking van den Noordpolder (1805-1810) uit nagelaten papieren voltooid en uitgegeven (1913). Schreef over geologie, bodemkunde, grondwaterstroming, wichelroedelopen en drinkwatervoorziening alsmede een bibliografie in afleveringen over de geologie van Nederland en de overzeese gebiedsdelen. Zie ook: W.F.J.M. Krul. Ref.: AWN3, EF, Geologie en Mijnbouw 1958 p101, NGE, WID5-6. (vdt540)
«
(Emst gemeente Epe 12 dec. 1916 – Meppel 16 jan. 2006), leraar, regionaal historicus. Behaalde in 1937 het onderwijzersdiploma en was onderwijzer in Sint Jansklooster, Almelo, Vaassen, Lochem, Dwingeloo en Winterswijk. Was van 1957 tot 1980 verbonden als leraar, later als directeur, aan de Rijks Middelbare Landbouwschool te Meppel. Maakte, vooral na zijn pensionering, studie van de geschiedenis van land en volk van Noordwest-Overijssel en schreef daarover onder meer: Waterig Nederland (1984), Zwervend door de Kop van Overijssel (2 dln., 1984) en Giethoorn en de werkverschaffing (1987). (vdt540a)
«
(Amsterdam 9 juni 1896 - Den Haag 18 mei 1945), mijnbouwkundig ingenieur. Werkte, na zijn studie mijnbouwkunde aan de TH in Delft, tot 1926 in NOI. Was sindsdien werkzaam bij het RID in Voorburg en promoveerde in 1933 in Delft op De invloed van de getijbeweging van zeeën en getijrivieren op de stijghoogte van grondwater. (vdt541)
«
(Tilburg 13 mei 1835 - Delft 2 apr. 1884), ingenieur, hoogleraar. Werkte, na in 1855 te zijn afgestudeerd aan de KA in Delft, enige jaren bij de AD van RWS, belast met het uitvoeren van waterpassingen en registratie van waterstaatkundige gegevens. Werd in 1860 arrondissementsingenieur in Den Bosch, daarna te Leeuwarden. Legde de basis voor de Waterstaatskaart, die na zijn dood, in 1891 gereed kwam. Werd in 1868 hoogleraar in de waterbouwkunde aan de PS in Delft. Van zijn publicaties noemen we: Waterpassingen over de Westerschelde van Vlissingen naar Breskens en van Neuzen naar Ellewoutsdijk (met J.M.F. Wellan; 1860) en De Rotterdamsche Waterweg (1881). Ref.: NBW2. (vdt542)
«
(roepnaam: Job; Haarlem 9 feb. 1899 - Nijmegen 18 aug. 1966), ingenieur, architect. Studeerde zowel bouwkunde als weg- en waterbouwkunde aan de TH te Delft. Werkte sinds 1924 bij het ingenieursbureau J. van Hasselt en de Koning te Nijmegen, sinds 1928 als uitvoerend ingenieur van de Ontginningsmij. Land van Vollenhove te Steenwijk. Was deskundige op het gebied van zowel de bouw van boerderijen als de inrichting van het boerenland. Schreef o.m. Partiële bemaling van het waterschap Vollenhove (1934). Was voorzitter van de Orde van Ned. Raadgevende Ingenieurs. Zie ook: J.T.P. Bijhouwer. Ref.: Hakoerier 1966 n4 p1-7, HM 2001 n3 p80, Honderd jaar Haskoning (1981), ING 1966 pA508, RHN p23. (vdt543)
«
Plan voor inpoldering Zuiderzee door H. Stevin, 1667 uit: Het Zuiderzeeproject: drie eeuwen inspiratie voor plannenmakers / samenst. Rijksdienst voor de IJsselmeepolders. – Lelystad: Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, 1976
(tweede zoon van Simon Stevin; Den Haag 1614 - na 1668), wiskundige. Studeerde wiskunde in Leiden en was tot zijn dood 'ambachtsheer' te Alphen aan de Rijn. Heeft zich zeer verdienstelijk gemaakt door behoud, bewerken en uitgeven van zijn vaders manuscripten. Schreef zelf Wisconstich filosophisch bedrijf (14 boeken; 1664-1668) waarin, in het Twaalfde Boek, het oudst bekende voorstel voor afsluiting van de Zuiderzee voorkomt. Ref.: GPZ, NBW5, WP7. (vdt544)
«
(tweede zoon van T.J. Stieltjes; Gramsbergen 26 sep. 1853 - Den Haag 23 dec. 1923), ingenieur. Was, na in 1874 te zijn afgestudeerd aan de PS te Delft, twee jaar werkzaam bij RWS belast met opmetingen voor de kanaalplannen. Werkte vervolgens tot 1882 bij de spoorwegen, tot 1886 bij het Rijnvaart Comité te Amsterdam, tot 1892 als redacteur van De Ingenieur en tot 1918 als lid van de raad van toezicht op de spoorwegdiensten. Schreef diverse artikelen in De Ingenieur alsmede de rapporten De ontwerpen tot verbetering der vaart van Amsterdam naar Rotterdam (1877) en Een Rijnvaartkanaal voor Amsterdam (1881). (vdt545)
«
Voorkant van: Droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee: verzameling van officieele bescheiden uitgegeven door de Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet. - 's- Gravenhage: Van Langenhuysen, 1868. – bevat o.a. Rapport naar aanleiding van het voorloopig verslag van de Raad van den Waterstaat, ingesteld bij ministerile resolutie d.d. 28 augustus 1866, No 229 / door T.J. Stieltjes
(Leuven 19 mei 1819 - Rotterdam 23 juni 1878), artillerie-officier, ingenieur. Na samenwerking met W.C.H. Staring voor verbetering van de afwatering en aanleg van scheepvaartkanalen in Overijssel, werd hij ingenieur-directeur van de Overijsselse Kanaalmaatschappij te Zwolle. Zijn bekendste werk is De Nederlandsche hoofdrivieren en de plannen tot hunne verbetering, in populairen toon beschreven door een oud soldaat (2 dln., 1850-1851). Adviseerde bij de aanleg van spoorwegen in NOI, een kanaal door Denemarken, de waterhuishouding van Rijnland en de afsluiting van de Zuiderzee. De Universiteit van Leiden verleende hem een eredoctoraat in de wis- en natuurkunde. Zie ook: A.J. Brevet, J.G. van Gendt, N.H. Henket, L. van de Kasteele, W.C.H. Staring. Ref.: AWN3, DB1, GPZ, NBW2, WG. (vdt546)
«
(Groningen 13 nov. 1840 - Zutphen 12 okt. 1888), ingenieur. Werkte na zijn studie aan de KA in Delft bij de aanleg van de Staatsspoorwegen. Was daarna werkzaam bij de waterstaat in Breskens, Roermond, Maastricht en Terneuzen. Was vanuit Nijmegen betrokken bij de verbetering van de bovenrivieren en schreef daarover: Verslag over de stroomsnelheidsmetingen in 1881 op den Boven-Rijn en zijne takken (1883). Overleed op jonge leeftijd aan een psychische stoornis. Ref.: NBW7. (vdt547)
«
(Zuilen 14 jan. 1851 - Utrecht 29 mrt. 1934), oceanograaf. Was, na zijn studie en promotie in de wijsbegeerte te Utrecht, vele jaren directeur van het Kon. Magnetisch en Meteorologisch Observatorium in Batavia (NOI). Was daarna directeur van het KNMI in De Bilt en een erkend deskundige op het gebied van getijden. Was lid van de Staatscommissie Zuiderzee. Hij schreef o.m. Getijverschijnselen op de Nederlandsche kust (1901) en Wind en Water (1906). Werd in 1923 benoemd tot erelid van het KNAG. Ref.: HJ, NP 1976. (vdt548)
«
(Oudshoorn 16 okt. 1890 - Oegstgeest 28 juni 1976), elektrotechnisch ingenieur. Werkte, na in 1913 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, enige jaren als elektrotechnisch ingenieur in de industrie. Daarna was hij adjunct-directeur van de Stedelijke Fabrieken van Gas en Elektriciteit te Leiden en directeur van de Elektriciteitsmaatschappij Lugdunum. Als deskundige op het gebied van molens was hij lid, en van 1953 tot 1969 voorzitter, van de vereniging De Hollandsche Molen te Amsterdam. Hij schreef verschillende artikelen en boeken w.o. Molens (1961), waarin ook de watermolen behandeld wordt en een beknopte autobiografie is opgenomen. Ref.: ING 1976 p654, WWN63. (vdt549)
«
(Den Haag 18 apr. 1751 - Rotterdam 2 mei 1835), predikant. Was, na zijn studie aan het seminarie te Amsterdam, predikant te Schoonhoven, tijdelijk te Brussel en lange tijd in Rotterdam. Naast zijn grootste verdienste, het onderzoek naar de geschiedenis van de Remonstranten, publiceerde hij over heel andere onderwerpen, zoals: Belang van Gelderland, Utrecht en Holland bij het afsluiten van de Lek, en geschiedenis van die rivier enz. (1809). Ref.: NBW4. (vdt550)
«
(Ureterp 22 aug. 1873 - Enschede 15 apr. 1948), predikant, natuurkenner. Studeerde theologie in Leiden en Amsterdam. Was doopsgezind predikant in Oost- en West Graftdijk en van 1911 tot 1938 te Warga. Was een fervent natuurliefhebber van het waterlandschap i.h.b. kenner en beschrijver van de Oude Venen tussen Eernewoude en Grouw. Trok veel op met collega Andries Lucas Broer. Kreeg grote bekendheid door zijn natuurschetsen in de tijdschriften Het Vaderland, Haagsche Post, De Wandelaar en Onze Aarde. Schreef vele boeken over het waterland w.o. Op Frieslands wijde wateren (1932) en Een jaar natuurleven (met J.P. Strijbos en A.B. Wigman; 4 dln., 1934-1937). Ref.: BLP, EF, IBV, NP 1987. (vdt551)
«
(Leeuwarden 30 sep. 1802 - Den Haag 16 aug. 1870), ingenieur, hoogleraar. Na zijn studie aan de artillerie- en genieschool te Delft, werkte hij voor de waterstaat te Zwolle. Schreef in die tijd het leerboek Handleiding tot de kennis der waterbouwkunde (2 dln., 1844-1845). Werd leraar waterbouwkunde te Medemblik, daarna te Breda en in 1847 hoogleraar aan de in 1842 opgerichte KA te Delft. Schreef o.m. Memorie over de verbetering van Delfland's waterstaat (met L.J.A. van der Kun en J.A. Scholten; 1852). Ref.: JCBG, NBW1. (vdt552)
«
(ca. 1685-1760), dichter te Bovenkarspel. Schreef Ontwerp tot een minst kostbaare, zeekerste en schielijkste herstelling van de zorgelijke toestand der Westfriesche zeedijken, zonder dat het voortknagend zeegewormte daaraan eenige hindernis kan veroorzaken (met P. van der Deure; 1733; nader ontwerp: 1735). Ref.: BW. (vdt553)
«
(Haarlem 14 mrt. 1891 - Bentveld 10 mei 1983), journalist, publicist, ornitholoog. Was, na zijn studie aan de Normaalschool voor tekenonderwijs te Amsterdam en de Academie voor Beeldende Kunsten te Den Haag, bouwkundig tekenaar, later architect. Maakte vele natuurstudies in binnen- en buitenland, in het bijzonder van vogels. Werd bekend als natuuronderzoeker en schreef, naast duizenden artikelen, o.m. Een jaar natuurleven (met R.J. de Stoppelaar en A.B. Wigman; 4 dln., 1934-1937), Van Texel tot Walcheren (met D.L. Daalder en A. Viruly; 1935) en Al zwervende vergaar ik (1948). Voor zijn verdienstelijk werk ontving hij in 1975 de Gouden Lepelaar en in 1977 de Heimans en Thijsse Prijs. Ref.: BJ84, IBV, PKN, WID5-6, WWN63. (vdt554)
«
(Leeuwarden 26 juli 1914 - Bennekom 7 okt. 1985), waterbouwkundige. Werkte, na zijn opleiding aan de MTS te Leeuwarden, sinds 1935 onafgebroken bij RWS in Den Haag. Kreeg in 1944 de leiding van de rekenafdeling bij de Studiedienst van de Directie Benedenrivieren, later bij de Waterloopkundige Afdeling van de Deltadienst. Ontwikkelde een elektrisch analogon voor de simulatie van de getijbeweging in het Nederlandse deltagebied. Was sinds 1956 tevens wetenschappelijk hoofdambtenaar bij de TH in Delft. Schreef o.m. De voortplanting van het getij bepaald met behulp van de elektrotechniek, met inachtneming van de kwadratische weerstandswet (1948). Ref.: DBD 1985 n114 p171, TWG 1996 p7, WND. (vdt555)
«
(Willemsoord 25 mrt. 1876 - Haren 26 juni 1956), dijkgraaf. Werkte aanvankelijk als ambtenaar ter gemeentesecretarie in Enschede en Steenwijkerwold. Was van 1914 tot 1947 dijkgraaf van het waterschap Vollenhove. Opperde het plan tot ontginning van de uitgeveende gronden van Noordwest-Overijssel, sinds 1928 ter hand genomen door de N.V. Ontginningsmij. Land van Vollenhove te Steenwijk, waarvan hij directeur was. Schreef o.m. Beschouwingen omtrent het voorontwerp van een algemeen reglement voor de waterschappen in Overijssel en ontwerp van den Overijsselschen Waterschapsbond voor een dergelijk reglement (1940). Zijn naam werd gegeven aan het in 1920 in gebruik gestelde gemaal ten noorden van Vollenhove. Ref.: H. Spreen en J.D. van der Tuin Stad en Wold (1999). (vdt556)
«
(roepnaam: Klaas; Leeuwarden 25 dec. 1876 - Leeuwarden 8 feb. 1939), ambtenaar. Werkte bij de provinciale griffie aan de oprichting en reglementering van boezemwaterschappen en schreef: Algemeen reglement van de boezemwaterschappen in Friesland (met A. Schrijver; 1929). Heeft zich daarnaast verdienstelijk gemaakt in de strijd tegen drankmisbruik. Ref.: EF. (vdt557)
«
(Doesburg 29 juli 1857 - Den Haag 30 nov. 1933), genie-officier. Volgde na de HBS in Leiden een opleiding aan de KMA in Breda. Doorliep alle militaire rangen en werd in 1910 hoofd van de Genie te Den Haag in de rang van luitenant-generaal. Schreef o.m. Over den bouw van vestingen, forten, sluizen en verdere werken t.b.v. de landsverdediging in Nederland van 1847-1897 (1897). Ref.: ING 1934 n17 pA151. (vdt558)
«
Titelblad van: De Zuiderzee en de Kamper eilanden c.a. van voorheen en thans (1363-188) met kaart en plaat, en eene Bijdrage omtrent geheele of gedeeltelijke afsluiting der Zuiderzee, toegelicht door eene Schetskaart / J. Swets. - 's-Gravenhage : Gebr. J.H. van Langenhuysen, 1886
(Hardinxveld 6 okt. 1830 - Utrecht 12 juli 1899), waterbouwkundige. Werkte aanvankelijk in Wijhe en was van 1866 tot 1881 directeur van Stadswaterwerken in Kampen. Was daarna werkzaam te Vreeland, Loenen en Nichtevecht en sinds 1890 in Utrecht. Schreef een aantal technische verhandelingen over o.m. sluisdeuren alsmede De Zuiderzee en de Kamper eilanden c.a. van voorheen en thans (1363-1882) (1886), De brug over de rivier den IJssel voor Kampen van voorheen en thans (1448-1881) (1887) en De Zuiderzeeplannen; bijdrage omtrent uitwatering en scheepvaartbelangen in het algemeen en die langs de kust- en havenplaatsen in het bijzonder in verband met de ontworpen afsluiting en gedeeltelijke droogmaking binnen de lijn Wieringen-Friesland (1888). (vdt559)
«
(Oosternijkerk gem. Oostdongeradeel 25 jan. 1862 - Bergen N.H. 12 apr. 1935), griffier. Studeerde rechten en promoveerde in 1885 aan de RU van Groningen. Was aanvankelijk commies bij de provinciale griffie te Assen, sinds 1893 te Groningen. Volgde in 1895 E. van Loon op als griffier bij de Staten van Groningen, tot 1929. Had veel belangstelling voor waterstaatszaken en schreef daarover: Over de rechtstoestand der polders (1897), Memorie nopens den rechtsgrond der heffingen van verlaatsrechten en passagegelden wegens het gebruik der Stads-Groninger kanalen (1901) en Dijk- en waterschapsrecht in Groningen (1926). Ref.: GE. (vdt560)
«