Home + Archief + Waterschrijvers
Titelblad van: De Zuiderzee: een herinneringswerk / woord vooraf H. Colijn ; bijdr. door J.C. Ramaer [et al.].- Amsterdam: Scheltema & Holkema, 1932. - bevat o.a. J.C. Ramaer, De oudste geschiedenis der Zuiderzee. - p. 1-8
(Zutphen 9 mei 1852 - Den Haag 17 juni 1932), ingenieur,
waterstaatshistoricus. Werkte, na in 1874 te zijn afgestudeerd aan
de PS te Delft, bij diverse diensten van de waterstaat in
verschillende functies, sinds 1906 als HID en sinds 1912 als IG van
de tweede inspectie. Was een actief voorstander van integratie van
waterstaatsgeschiedenis en historische geografie. Schreef de meeste
biografieën van waterstaatkundigen voor het NBW, enige boeken en
vele artikelen in zowel technische, geografische als historische
tijdschriften, soms bescheiden met X ondertekend. We noemen
slechts: De omvang van het Haarlemmermeer en de meren waaruit
het ontstaan is, op verschillende tijden vóór de droogmaking
(1892), Geographische geschiedenis van Holland bezuiden de Lek
en de Nieuwe Maas in de Middeleeuwen (1899), Het hart van
Nederland in vroegere eeuwen (1913) De vorming van den
Dollart en de terpen van Nederland in verband met de geographische
geschiedenis van ons polderland (1909) en De afsluiting en
droogmaking der Zuiderzee (1930). Het KNAG benoemde hem in
1923 tot erelid. Ref.: BWN2, HJ, HOL 1983 n3-4 p145-158, ING 1932
n19 pA171-175. (vdt462)
«
Voorkant van: Flora en fauna der Zuiderzee: monografie van een brakwatergebied: supplement/ onder red. van H.C. Redeke; m.m.v. L.F. de Beaufort ... [et al.]; Zuiderzee- Commissie der Nederlandsche Dierkundige Vereeniging; voorw. H.C. Redeke. - Den Helder: De Boer, 1936
(Amsterdam 29 aug. 1873 - Hilversum 10 apr. 1945), hydrobioloog.
Studeerde biologie en promoveerde aan de UvA. Begon als assistent
en kreeg in 1903 de leiding van het latere NIOZ te Den Helder.
Verwierf grote naam als onderzoeker van brakwatergebieden. Was
privaatdocent aan de UvA en na pensionering wetenschappelijk
assistent aan de Universiteitsbibliotheek van Utrecht. Zijn meest
bekende boek is: Flora en fauna der Zuiderzee, monografie van
een brakwatergebied (1922). Ref.: BWN1. (vdt463)
«
(Rotterdam 13 aug. 1728 - na 1787), ingenieur (autodidact).
Ontwikkelde zich tot water-, werktuigbouw- en vestingbouwkundige.
Vestigde zich in Den Haag en verwierf bekendheid door zijn
veelzijdigheid en vindingrijkheid. Schreef diverse rapporten w.o.
De nieuw uitgevonden sluis met in- en uitschuivende deuren
etc. (1774) en De voornaamste dijkbreuken in 't Drostampt
van Vollenhove door den zwaaren storm en hoogen vloed van den
20sten en 21sten November des jaars 1776 (1776). Ref.: NBW8.
(vdt464)
«
(Amsterdam 31 jan. 1818 - Waddinxveen 21 sep. 1873),
onderwijzer, regionaal historicus. Was onderwijzer te Groote Lind,
later schoolhoofd in Waddinxveen. Schreef enkele schoolboeken en
over regionale historische geografie zoals: Geschied- en
aardrijkskundige beschrijving van den Zwijndrechtschen Waard, den
Rieder Waard en het Land van Putten over de Maas (1848) en
Geschied- en aardrijkskundige beschrijving van den Hoekschen
Waard (1849). Ref.: NBW1. (vdt465)
«
(Breda 16 aug. 1875 - Den Haag 29 dec. 1950), genie-officier.
Was, na zijn opleiding aan de KMA te Breda, van 1894 tot 1901
genie-officier en tot 1909 in dienst van PW te Amsterdam,
laatstelijk als adjunct-directeur. Was daarna tot 1937 werkzaam als
hoofd van PWS van Noord-Holland te Haarlem. Was lid van de
Staatscommissie Zuiderzee. Kreeg bekendheid door zijn grote inzet
na de watersnood van 1916 en schreef daarover: Mededeelingen
betreffende den watersnood van 1916 en zijn gevolgen (1917).
Ref.: Honderd jaar trouwe dienst (1981), ING 1951 n19
pA225, TWG 1992 n2 p54, WID5. (vdt466)
«
Voorkant van boek: De eilanden Schokland en Urk/ A.J. Reijers, H.J. Moerman. - Urk: Stichting Urker Uitgaven, 1984
(Kampen 20 dec. 1867 - Kampen 1 mei 1943), leraar, tekenaar. Was
aanvankelijk timmerman, later opzichter bij een architect en bij
GW. Had een uitgesproken aanleg voor tekenen. Werd, na een
opleiding voor technisch tekenen, hoofd van de Burger-avondschool
te Kampen. Zette zich in voor het behoud van historische gebouwen
in zijn geboortestad. Schreef artikelen in Eigen Haard,
Buiten en Bouwwereld met eigen illustraties, zo ook
in Urk (met H.J. Moerman; 1921) en in Schokland
(idem; 1925). (vdt467)
«
(roepnaam: Willem; Rotterdam 15 nov. 1900 - Tilburg 23 sep.
1963), leraar. Was, na het behalen van de onderwijzers- en
hoofdakte, sinds 1921 werkzaam als onderwijzer in het bijzonder
onderwijs te Rotterdam. Behaalde in 1926 in Utrecht de middelbare
akte aardrijkskunde en in 1932 die voor geschiedenis. Was van 1942
tot 1962 leraar aardrijkskunde en geschiedenis aan het
Sint-Odulphuslyceum te Tilburg. Was daarnaast docent aan de RK
Leergangen aldaar en te Eindhoven. Schreef diverse publicaties en
leerboeken w.o. Nederland - zoals het was, zoals het is
(1940), Ons eigen erf (1947), Het land waar ik
woon (1947) en het zeer gedegen Noord-Brabant (1955)
in het vijfde deel van het HGN. Ref.: TKNAG 1964 n1.
(vdt468)
«
(Leiden 15 dec. 1824 - Den Haag 15 mei 1897), ingenieur,
dijkgraaf. Was na zijn studie aan de KA te Delft sinds 1848
werkzaam bij de waterstaat in verschillende functies vanuit diverse
standplaatsen. Was van 1865 tot 1878 hoofdingenieur van de
waterstaat in Gelderland en leverde een belangrijke bijdrage in
rivierdijkverhoging en schreef o.m. De Maasdijken in Gelderland
en Noordbrabant en de werken tot verbetering dier rivier
(1874). Werd in 1878 hoofdingenieur van de waterstaat in Overijssel
en Drenthe en leidde de aanleg van het kanaal van Almelo naar
Nordhorn. Was sinds 1891 korte tijd dijkgraaf van Delfland. Ref.:
NBW5. (vdt469)
«
(Medan NOI 31 aug. 1881 - Voorburg 1 feb. 1968), archivaris.
Studeerde rechten en promoveerde in 1908 te Utrecht. Na een kort
verblijf in NOI studeerde hij in 1913 af in geschiedenis en
archiefwetenschappen te Berlijn. Was sindsdien werkzaam bij de
provincie Zuid-Holland, belast met inventarisatie van gemeente- en
waterschapsarchieven. Van 1913 tot 1945 was hij bestuurslid en
sinds 1941 voorzitter van het Ned. Gen. voor Geslacht- en
Wapenkunde. Verrichtte baanbrekend werk in de historische geografie
van de Zuid-Hollandse eilanden waarover hij o.m. schreef: Uit
de wordingsgeschiedenis van de Zuid-Hollandsche eilanden: de Kromme
Striene (1934) en De Zuid-Hollandsche eilanden in den
Romeinschen tijd en de zuidelijke route van de Peutinger kaart
(1940). Ref.: De Nederlandsche Leeuw 1968 n4, PKN.
(vdt470)
«
(Alblasserdam 23 okt. 1878 - Zeist 11 jan. 1957; gecremeerd te
Westerveld), marine-officier, meteoroloog. Was na zijn opleiding
aan het KIM vanaf 1899 in dienst van de Koninklijke Marine, tot
1914 bij de Hydrografische Dienst en daarna tot 1920 werkzaam als
zeeofficier-instructeur bij het KIM. Was van 1920 tot 1946 in
dienst van het KNMI als adjunct-directeur, sinds 1923 als directeur
van de afdeling Oceanografie en Maritieme Meteorologie, van 1929
tot 1931 als leider van de Snellius-expeditie en sinds 1934 als
directeur van de Filiaalinrichting van het KNMI te Amsterdam.
Schreef diverse publicaties op nautisch, oceanografisch en
maritiem-meteorologisch gebied. Daarnaast o.m. De vloedgolf van
26 april 1924 (1924), over een merkwaardige hoge golf langs de
Nederlandse kust, en Is de heerschende windrichting te
Amsterdam sedert 1700 gekrompen? (1941). Ref.: PKN, WID5-6.
(vdt471)
«
(roepnaam: Wim; Middelburg 11 okt. 1933 - Vlissingen 16 feb.
1995), fotojournalist. Was, na zijn opleiding aan de Zeevaartschool
te Vlissingen, van 1958 tot 1974 werkzaam als fotojournalist voor
de Provinciale Zeeuwse Courant en sindsdien free-lance
fotojournalist. Publiceerde/illustreerde verschillende fotoboeken
over Zeeland w.o. Kenterend getij (1970),
Reimerswaal (1979), Tussen land en water (1984)
en Dagboek van een waterbouwer (1986). Ref.: WWN1-2.
(vdt472)
«
(Menaldum 10 dec. 1860 - Giekerk 1 aug. 1942), onderwijzer.
Werkte vele jaren als onderwijzer en schoolhoofd in Giekerk. Was
zeer verdienstelijk op maatschappelijk gebied en had grote
belangstelling voor Frieslands verleden. Schreef een aantal
artikelen w.o. De terpen in Nederland (1892), De
landaanwinning in de Friesche Wadden en de verbinding van Ameland
met de Friesche wal (1901) en De Lauwerszee (1901).
Ref.: EF. (vdt473)
«
(Oosterend 15 juni 1898 - Leeuwarden 24 jan. 1973), ingenieur.
Werkte na zijn studie aan de TH in Delft in 1930 eerst bij GW in
Leeuwarden, sinds 1947 bij PWS van Friesland. Schreef o.m.
Binnendiken en slieperdiken yn Fryslan (met G.L. Walther;
2 dln., 1954) en De dijken in Friesland, alsmede hun beheer en
onderhoud tot circa 1500 (1958). Volgde G.L. Walther op als
HID van PWS van Friesland. Ref.: EF, ING 1973 p142. (vdt474)
«
(Leens 7 sep. 1862 - Groningen 21 juni 1925), arts, regionaal
historicus. Was vele jaren werkzaam als huisarts in
Uithuizermeeden. Schreef, vanuit zijn grote belangstelling voor de
historische geografie van de provincie Groningen, diverse artikelen
w.o. De voormalige Fivelboezem en de geschiedenis zijner
bedijking (1903), Over wierden en dijken, schets eener
geschiedenis van de Noordzeekust tusschen Lauwerszee en Eems
(1914), Het Aduarderdiep en de Aduarderzijl (1924) en
Het Westerkwartier van de provincie Groningen (1925).
Ref.: NGE. (vdt475)
«
(Uithoorn 26 sep. 1830 - Utrecht 10 nov. 1906), ingenieur.
Studeerde aan de KA te Delft en begon in 1850 te Ilpendam als
opzichter bij de waterstaat van Noord-Holland. Werkte als ingenieur
onder J. Dirks aan het Noordzeekanaal en schreef daarover o.m.
Het verbindingskanaal tusschen de Voor-Zaan en het
Noordzeekanaal (1873). Was daarna hoofdingenieur van de
waterstaat in de provincie Groningen en van 1882 tot 1904 van de
PWS in Utrecht. Schreef voorts: Nota betreffende de ontwerpen
tot verbetering van de afwatering der Geldersche Vallei (met
M.A. van Idsinga; 1887). Ref.: G. Borger Staat van land en
water (1982), NBW10. (vdt476)
«
Voorkant van boek: Van waterstaat tot wederopbouw: het leven van dr. ir. J.A. Ringers (1885-1965) / Tessel Pollmann. - Amsterdam: Boom, 2006
(Alkmaar 2 jan. 1885 - Den Haag 6 mei 1965), ingenieur,
minister. Werkte, na zijn studie aan de TH in Delft, bij RWS te
Hansweert, bij de spoorwegen op Java en bij de aanleg van kanalen
in West-Friesland. Zijn grootste technische prestatie was de bouw
van de Noordersluis te IJmuiden waarover hij publiceerde: De
bouw van de nieuwe schutsluis c.a. te IJmuiden (2 afl.,
1924-1925). Werkte van 1927 tot 1930 voor de Dienst der ZZW als
directeur en hoofduitvoerder van de MUZ en van 1930 tot 1935 als DG
van de RWS. Was van 1941 tot 1948 voorzitter van het KIVI. Werd in
de 2e WO gedeporteerd naar Sachsenhausen. Werd minister van OW en
Wederopbouw en na de overstromingsramp van 1953 lid van de
Deltacommissie. Schreef o.m. Een eeuw Nederlandsche
waterbouw (1947) en Caland en de betekenis van zijn werk
voor Rotterdam (1953). Ringers werd onderscheiden met o.m. de
Conrad-medaille (1927), een eredoctoraat van de TH te Delft (1930)
en het erelidmaatschap van het KIVI (1955). Rotterdam eerde hem als
'vader van de wederopbouw'. Zie ook: J. Lely. Ref.: AB, BJ66, BWN1,
DLW, ING 1965 n22 pA360-A369, LW 1965 n1 p32, LW 1965 n6 p284-285,
OTAR 1965 n6 p284-285, PKN, TWG 1998 n2 p88-96, WID5-6, WND.
(vdt477)
«
Titelblad van: De Zuiderzee: een herinneringswerk / woord vooraf H. Colijn; bijdr. door J.C. Ramaer [et al.].- Amsterdam: Scheltema & Holkema, 1932. - bevat o.a. C.W. Ritter, De economische beteekenis van de Zuiderzee. - p. 39-50
(broer van P.H.Ritter; Utrecht 6 mrt. 1885 - Rheden 16 mrt.
1972), jurist, econoom. Studeerde rechten en promoveerde in 1913 te
Utrecht. Werkte in diverse functies bij de overheid en was van 1923
tot 1950 in dienst van de Nederlandse Bank, laatstelijk als
kassier-generaal. Was van 1929 tot 1932 secretaris van de
Zuiderzeevereniging. Schreef o.m. De economische beteekenis van
de Zuiderzee (1932). Ref.: PKN, WID5-6. (vdt478)
«
Titelblad van: Rondom de Zuiderzee / m.m.v. P.H. Ritter Jr., H.N. ter Veen; fotogr. Karel Kleijn ... [et al.]. - Amsterdam: Contact, 1937
(broer van C.W.Ritter; Utrecht 16 aug. 1882 - Houten 12 apr.
1962), schrijver, redacteur. Studeerde rechten aan de UvA en
promoveerde in 1909 in Utrecht. Was sinds 1918 hoofdredacteur van
het Utrechts Dagblad; kreeg vooral bekendheid door zijn
boekbesprekingen voor de radio in de periode 1928-1957. Publiceerde
in vele tijdschriften en schreef verscheidene boeken, brochures en
inleidingen. De didactische waarde is kenmerkend voor zijn werk
waarvan we slechts noemen: Het land van wind en water
(1921) over de ontstaansgeschiedenis van Noord-Holland. Ritter werd
in 1957 benoemd tot ereburger van Utrecht en ontving in 1962 de
J.H. Donnerprijs. Zie ook: A.A. Mussert. Ref.: BJ63, BWN2, EW, J.J.
van Herpen Al wat in boeken steekt; dertig jaar radiowerk van
dr.P.H. Ritter jr. bij de AVRO (1982), HLR, HSE, LNA, LNL,
PIR, PKN, WID5-6, WP7, WVG.(vdt479)
«
(Leeuwarden 19 mei 1868 - Groningen 4 dec. 1925), jurist.
Studeerde rechten in Groningen en promoveerde daar in 1893 in de
staatswetenschappen. Werkte bij de Provinciale Griffie in
Leeuwarden en sinds 1893 in Groningen. Schreef, behalve enkele
wetteksten, een uitvoerig artikel: Rottumeroog
(1917). (vdt479a)
«
(Haarlem 21 juli 1844 - Den Haag 13 juli 1914), jurist,
minister. Studeerde rechten te Utrecht en promoveerde op
Historisch-staatsregtelijk onderzoek naar het algemeen en het
bijzonder van den waterstaat in Nederland van 1795-1848
(1866). Werkte achtereenvolgens bij de provinciale griffie te
Arnhem en Utrecht, was griffier bij de Staten van Zuid-Holland, lid
van TK, EK en minister van Buitenlandse Zaken. Ref.: BWN2.
(vdt481)
«
(Rotterdam 14 dec. 1833 - Den Haag 9 juni 1913), ingenieur.
Werkte, na in 1853 te zijn afgestudeerd aan de KA te Delft, bij RWS
in achtereenvolgens Den Haag, Gorinchem, Den Haag, Arnhem,
Breskens, Gorinchem, Den Bosch, Assen, Leeuwarden, Roermond,
Amsterdam en Groningen. Schreef voornamelijk over waterstanden:
Over den waterspiegel der zee langs de Nederlandsche kust
(1883), Beschouwingen over de veranderlijkheid van den
waterspiegel op de takken van de rivier de Rijn (1884) en
Over den waterspiegel der Zuiderzee (1884). Ref.: ING 1913
n24 p488. (vdt480)
«
(roepnaam: Jan; Amsterdam 8 mrt. 1913 - Utrecht 9 nov. 1983),
waterbouwkundige. Werkte enige jaren in overheidsdienst op Curaçao,
daarna bij de PWS van Noord-Holland, van Drenthe, als directeur GW
te Gorinchem en had tenslotte een ingenieursbureau in Den Bosch.
Schreef o.m. Geschiedenis van de Westfriese Omringdijk
(1943) en de biografie Jan Adriaanszoon Leeghwater; het leven
en werk van een zeventiende-eeuws waterbouwkundige (1944),
waarin hij de soms overdreven verering van Leeghwater tot
werkelijke proporties terugbrengt. Publiceerde daarnaast ook over
zijn liefhebberij, de bijenteelt. (vdt482)
«
(Rotterdam 30 okt. 1893 - Amsterdam 16 juli 1962), historicus,
hoogleraar. Studeerde geschiedenis te Leiden bij J. Huizinga en N.
van Wijk. Was hoogleraar in de algemene en vaderlandse geschiedenis
aan de UvA. Verwierf in de jaren dertig grote bekendheid door de
publikaties die hij schreef met zijn vrouw Annie Romein-Verschoor
(zie daar). Voerde, met anderen, de redactie van Algemene
geschiedenis der Nederlanden (12 dln., 1949-1958). Ref.: BJ63,
BWN1, EW, LNA, LNL, NGL, PKN, WID6, WP7, WWN63. (vdt483)
«
(roepnaam: Annie; Hatert 4 febr. 1895 - Amsterdam 5 febr. 1978),
schrijfster, historica. Studeerde geschiedenis en letteren in
Leiden, studeerde in 1921 af en promoveerde aldaar in 1935. Was
sinds 1921 correspondente van de Nieuwe Courant en het
Handelsblad, schreef artikelen in de Groene
Amsterdammer, De Stem en het Critisch
Bulletin. Trouwde in 1920 met historicus J.M. Romein (zie
daar) met wie zij o.m. De Lage Landen bij de zee (1934) en
Erflaters van onze beschaving (4 dln., 1938-1940) schreef.
Ref.: BJ79, BWN2, EW, LML, LNA, LNL, NGL, PKN, WID6, WP7.
(vdt484)
«
(Terschelling 26 okt. 1926 - Alkmaar 21 apr. 2005),
waterbouwkundige. Werkte bij verschillende diensten van RWS, in de
jaren zestig bij het Bouwbureau Havenmond IJmuiden. Schreef o.m.
De bouw van de havendammen in IJmuiden (1969) en
Geschiedenis van de Scheveningse haven (1970).
(vdt484a)
«
(Huissen 9 mei 1830 - Nijmegen 31 juli 1909), officier, leraar.
Was, na zijn opleiding aan de MA in Breda, als infanterie-officier
werkzaam in het garnizoen Nijmegen en sinds 1858 als leraar Frans
aan de MA te Breda. Trad, wegens zijn grote belangstelling voor de
techniek, in 1879 uit de krijgsmacht. Schreef over de werking van
verschillende soorten bemalingswerktuigen, bijv. Beschrijving
van de proefmaling met de pompraderen van Rijnlands stoomgemaal op
14 October 1873. Ref.: NBW6. (vdt485)
«
(Nijmegen 13 nov. 1849 - Oegstgeest 28 mei 1905), architect. Was
sinds 1876 tot aan zijn dood werkzaam als architect en hoofd
technische dienst van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende
Sluizen in Kennemerland en West-Friesland te Edam. Hij ontwierp
scholen, kerken, gemalen, bruggen en sluizen in het hele gebied.
Hij schreef o.m. Onderzoek stoombemaling van Schermer
boezem (1896) en Gedenkboek der Wilhelminasluis te
Zaandam (1903). (vdt485a)
«
(roepnaam: Jos; Amsterdam 6 feb. 1909 - Amsterdam 9 mrt. 1987),
bioloog, schilder, schrijver. Was, na zijn studie biologie in
Amsterdam, werkzaam als bioloog en studeerde daarnaast aan de
Kunstnijverheidsschool Quellinus en de Hendrick de Keyserschool.
Naast schilder- en tekenwerk, schreef hij veel, vooral voor
natuurvrienden, bijvoorbeeld Sloot en plas in kleuren (met
W.P. Postma; 1958). Sinds 1963 schreef hij ook romans en was tevens
als ontwerper/illustrator werkzaam. Kenmerkend is zijn bezorgdheid
voor de teloorgang van het natuurlijk milieu, zoals verwoord in
Het wondere water (1964). Ref.: BJ88, LML, LNA, LNL, NBK,
WP9. (vdt486)
«