Home + Archief + Waterschrijvers
(Noordsleen 21 juni 1903 - Assen 20 juli 1963), taalkundige, leraar. Was onderwijzer te Hoogeveen, Woldendorp en Hoogkerk. Studeerde en promoveerde in de letteren te Groningen. Was leraar nederlands en geschiedenis te Almelo en Assen. Schreef vele artikelen, gedichten en boeken over de geschiedenis van diverse dorpen, het Drents dialect en etymologie w.o. Oostnederlandse waterschapstermen (1955). Was medewerker van het Nedersaksisch Instituut te Groningen. Aan hem herinnert een borstbeeld te Sleen. Ref.: BJ64, DB3, NDV 1964 p7-21, WID5-6. (vdt417)
«
zie: C.N.Gorter.
«
(Klundert 29 mrt. 1859 - Tiel 3 mei 1944), ingenieur, hoogleraar. Was, na zijn studie aan de PS te Delft, werkzaam bij RWS o.m. belast met de verbetering van het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Schreef daarover: Werken tot verbetering van het Kanaal van Gent naar Terneuzen etc. (1897). Was van 1906 tot 1929 hoogleraar waterbouwkunde en bruggenbouw aan de TH in Delft en in 1920-1921 rector magnificus. Ref.: ING 1945 pA126. (vdt418)
«

Voorkant van brochure: De afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee / P.J. Neyt. - Zwolle: De Erven Tijl, 1885
(Breskens 9 feb. 1839 - Beverwijk 11 aug. 1900), ingenieur. Behaalde in 1855 het diploma landmeter en werd in 1859 als opzichter bij RWS belast met de afdamming van het Kreekrak en het Sloe, waarvoor hij in 1873 werd geridderd. Ging in 1876 over naar Zwolle voor de aanleg van de spoorlijn Almelo-Zwolle. Was daarna beheerder van de veerdienst Enkhuizen-Stavoren. Schreef diverse artikelen en boekjes onder de pseudoniemen Scaldis en Peter Simple, daarnaast ook in De Ingenieur zoals Iets over Hollandsche stranden en strandhoofden (1886) en De afdamming van het Sloe (1872). Ref.: EZ. (vdt419)
«

Voorkant van: Delft en Delflanden, hun oorsprong en vroegste geschiedenis / J.F. Niermeyer. - 1e druk. - Leiden : Burgersdijk en Niermans, 1944
(Rotterdam 15 mrt. 1907 - Amsterdam 12 dec. 1965), historicus, hoogleraar. Studeerde geschiedenis in Utrecht en promoveerde op: Delft en Delfland, hun oorsprong en vroegere geschiedenis (1944). Werd lector in Groningen en hoogleraar in de middeleeuwse geschiedenis aan de UvA. Schreef voorts: Het Midden-Nederlandse rivierengebied in de Frankische tijd op grond van de Ewa quae se ad Amorem habet (1953) en De oudste dijken en verkaveling in het kustgebied van Vlaanderen tot aan de Elbe (1958). Ref.: BJ66, BWN2, NGL, WID5-6, WP7, WWN63. (vdt420)
«
(Gorinchem 31 dec. 1834 - Hilversum 27 jan. 1917), genie-officier. Was, na zijn opleiding aan de KMA in Breda, sinds 1854 werkzaam in Hellevoetsluis en Nijmegen bij de verbetering van de vestingwerken aldaar. Werkte sinds 1861 bij de staatsspoorwegen in Den Bosch en ontwierp de spoorbruggen te Venlo en Hedel. Droeg vanuit zijn functie bij de Hollandsche IJzeren Spoorwegmij. (1883-1912) in belangrijke mate bij aan de ontwikkeling van het internationaal spoorwegverkeer. Schreef o.m. De watervrijmaking van 's-Hertogenbosch en het plan van het gemeentebestuur van Februarij 1877 (1877). Ref.: BWN2. (vdt421)
«
(Amsterdam 23 aug. 1913 - Otjiwarongo, Namibië 13 nov. 1991), bioloog, leraar. Studeerde biologie en promoveerde in 1956 aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Was sinds 1942 leraar biologie in Venlo en vanaf 1946 in Maastricht. Bezat een grote kennis van de flora en fauna, met name van die van Limburg. Schreef diverse artikelen en redigeerde enkele boeken w.o. De Groote Peel (1969), Wondere wereld tussen land en zee (1987) en Water, bron van al het leven (1989). Ref.: IBV, TJ. (vdt422)
«
(Deventer 28 jan. 1888 - Den Haag 31 juli 1958), ingenieur, redacteur. Werkte, na zijn studie aan de TH in Delft, enkele jaren bij een ingenieursbureau in Utrecht en bij het Rijksbureau voor Drinkwatervoorziening in Den Haag. Was van 1919 tot 1953 werkzaam bij het PWN te Bloemendaal, sinds 1942 als directeur. Was sinds 1917 redacteur van het tijdschrift Water en schreef o.m. De provinciale drinkwatervoorziening van Noordholland (1922) en Waterverspilling (1949). Ref.: WID5-6. (vdt423)
«
(Ooi 26 juni 1833 - Amsterdam 26 okt. 1910), ingenieur. Was opzichter van de waterstaat op Zuid Beveland, later te Nieuwediep. Als stadsingenieur van Amsterdam ontwierp hij plannen voor drinkwatervoorziening, afwatering, riolering en havenuitbreiding. Trad op als adviseur voor de uitvoering van zeer vele waterbouwkundige werken in ons land. Schreef o.m. De nieuwgebouwde sluis te Zeeburg nabij Amsterdam (1876) en Gedenkboek der Wilhelminasluis te Zaandam (1904). Ref.: CPE, ING 1910 bijl.p32, NBW6. (vdt424)
«
(Rotterdam 21 jan. 1845 - Den Haag 15 apr. 1917), marine-officier. Doorliep, na zijn opleiding aan het KIM, alle rangen en werd in 1895 als kapitein ter zee gepensionneerd. Was belast met hydrografische metingen en beveiliging van de vaarwateren en schreef o.m. Kustverlichting in Nederland 1847-1897 (1897). Ref.: ING 1917 n16 p285-286. (vdt425)
«
(Amsterdam 10 sep. 1887 - Amsterdam 4 feb. 1956), ingenieur, redacteur. Werkte, na een korte studie economie in Groningen en een voltooide studie aan de TH in Delft, tot 1921 bij RWS en drie jaar bij Siemens Bau Union. Was van 1912 tot 1935 redacteur en hoofdredacteur van het Polytechnisch Tijdschrift en schreef daarin o.m. De Twentsche kanaalverbinding (1919). Maakte, van 1924 tot 1940 als directeur van Ingenieursbureau voor waterbouwkundige adviezen Ir. G.P. Nijhoff te Den Haag en Brussel, uitvoerige studie van havens in Turkije, Azië en Zuid Amerika. Was daarna adviseur voor wederopbouw en van 1943 tot 1950 hoofdingenieur bij de Dienst der Gemeente Waterleidingen van Amsterdam. Was sindsdien raadadviseur van het MVW en vanaf 1953 lid van de Deltacommissie. Ref.: ING 1956 pA151-A152, WID5-6, WND. (vdt426)
«
(Zevenaar 8 feb. 1867 - Wassenaar 30 okt. 1956), minister. Studeerde rechten te Leiden en promoveerde op Het waterschap van den Oude-IJssel (1892). Was jaren lid en voorzitter van de TK en enige tijd gevolmachtigd minister. (vdt427)
«

Ir. J.C. Le Nobel viert zijn 40-jarig ambtsjubileum.
(Den Haag 20 sep. 1906 - Den Haag 12 feb. 1985; begraven op Oud Eik en Duinen), ingenieur. Werkte, na in 1929 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, bij de Dienst der ZZW in Den Haag, van 1957 tot 1971 als hoofd van de afdeling Kunstwerken. Voor de vierde druk van het leerboek Waterbouwkunde door M.B.N. Bolderman en A.C.W. Dwars schreef hij deel 4: Bruggen (1949). Schreef diverse artikelen in technische tijdschriften met name over sluizen en gemalen, zoals: Kunstwerken in de Noordoostpolder (1948), De kunstwerken in de bedijking van Oostelijk Flevoland (1959), De kunstwerken in de bedijking van Zuidelijk Flevoland (1966) en Deuren in de dijk; de sluizen in de noordelijke afsluiting van de Markerwaard (1971). Zie ook: F.L. van der Bom, C.J. van den Bout, M. Klasema. (vdt428)
«

Titelblad van: Rondom het land van morgen: land en volk rondom de Zuiderzee / K. Norel, H. Heukels. - 6e druk. - Wageningen, 1939
(Harlingen 9 nov. 1899 - Baarn 4 mei 1971; begraven op Zorgvlied te Amsterdam), journalist, schrijver. Was aanvankelijk kantoorbediende, later journalist bij De Vrije Westfries te Enkhuizen, sinds 1920 als redacteur. Werd in 1945 chefredacteur binnenland bij Trouw en was sinds 1946 freelance schrijver. Produceerde meer dan 150 titels; naast jongensboeken, romans en populair-wetenschappelijke werken schreef hij in de tijdschriften De Wandelaar, De Spiegel, Vrij en Blij, De Vriend des Huizes, De Speelwagen, Uit het Peperhuis en Op de Uitkijk. Schreef in het jongensboek Land in zicht! (1935) en de roman Het getij verloopt (1937) over de visserij die destijds, door afsluiting van de Zuiderzee, snel achteruit ging. Van dezelfde strekking zijn: Aan dood water; de laatste dagen van een eiland (over Urk; 1938) en Rondom het land van morgen (1939). Voltooide van Herman de Man, na diens dood, een roman over aardhalers, kruiers en baggeraars: Mannen van Sliedrecht (1950). Voorts: Mannen en dijken (1965), over waterbouwers in den vreemde. Kwam om het leven bij een auto-ongeluk op de rijksweg bij Baarn. Ref.: BJ72, EW, HLR, LNA, J.J. Norel Klaas Norel, een Enkhuizer vrije (West-)Fries (1995), PVL. (vdt429)
«