Home + Archief + Waterschrijvers
Voorkant van: Landaanwinning ten noorden van de hals van Goeree- Overflakkee: met een terugblik en een toekomstbeeld / P.W. Kalkwijk. - 's- Gravenhage: Nederlandse Vereniging voor Landaanwinning, 1957. - TIJD In: Polytechnisch tijdschrift GEG: (1957) 13-14, 15-16. - Uitgave B.
(Wirdum gem. Loppersum 13 nov. 1911 - Zoetermeer 10 apr. 1994),
waterbouwkundige. Werkte van 1936 tot 1975 bij RWS, aanvankelijk
als opzichter, later als technisch hoofdambtenaar bij de afdelingen
Landaanwinningswerken en Inrichtingszaken van de Deltadienst in Den
Haag. Schreef artikelen in Land en Water,
Polytechnisch Tijdschrift en Weg en Waterbouw,
alsmede het boek De strijd tegen het water (1955).
(vdt302)
«
Eerste pagina van: De stand der Zuiderzeewerken: aan de nagedachtenis van prof. mr. D. van Blom/ A.F. Kamp. - Overdr. uit: De gids. - 107 (1943) II. - p. 130-156 107 (1943) III. - p. 437-438
(Roosendaal 19 apr. 1905 - Bergen NH 1 juni 1987), burgemeester,
dijkgraaf. Studeerde rechten te Leiden, begon zijn loopbaan als
secretaris van de Directie Wieringermeer en was enige jaren
burgemeester van Texel. Was dijkgraaf van het Hoogheemraadschap
Noordhollands Noorderkwartier. Schreef o.m. Zuiderzeeland;
verleden en toekomst van de Zuiderzee (1937) en redigeerde het
jubileumwerk De Technische Hogeschool te Delft 1905-1955
(1955). Zijn poëtische vaardigheden bleken uit opmerkelijke
gedichten zoals in Ingenieur en dichter (1949) en
Waterstaat en poëzie (1958). Ref.: DLW, H.S. Danner e.a.
Die water keert (1994), LW 1962 n2 p58, PKN, WWN63.
(vdt303)
«
(Hellevoetsluis 28 aug. 1911 - Heerhugowaard 6 mei 1991),
journalist, romanschrijver. Bracht zijn jeugd door in Den Helder
waar hij de hogere handelsschool volgde. Werkte korte tijd bij een
reisbureau en ging in de journalistiek. Schreef de
jeugdboekenseries Ketelbinkie en Pieter Straat.
Maakte vele buitenlandse reizen en was oprichter en hoofdredacteur
van o.m. het maritieme weekblad De Blauwe Wimpel. Was
schrijver van diverse boeken, avonturen en artikelen over de zee en
de zeescheepvaart zoals Een stad sterft (1934), over de
geschiedenis van zijn geboorteplaats Hellevoetsluis. Voorts:
Dit is ons land, hier leven wij; 25 jaar Wieringermeer
(1955) en het autobiografische Kijken over de kim (1982).
Ref. BJ92, EW, LML, LNA, PVL, WWN1, WWN63. (vdt304)
«
(Leermens 9 nov. 1908 - Baflo 11 jan. 1959),
hydrobioloog. Studeerde biologie aan de RU van Groningen en
promoveerde daar op De Chinese wolhandkrab in
Nederland (1937). Werkte als hoofdingenieur van RWS bij de
Directie Landaanwinning en stond aan het hoofd van de
wetenschappelijke afdeling in Baflo. Schreef verder:
Slibhuishouding en landaanwinning in het Oostelijk
Waddengebied (1957). Ref.: LW 1959 n1 p34. (vdt304a)
«
(Wissenkerke 21 juli 1762 - Middelburg 23 sep. 1841), notaris.
Vestigde zich in 1784 als notaris te Zierikzee en was sinds 1799
lector in de fysica te Middelburg. Was in de Franse Tijd
commies-griffier van de rechtbank en tot 1835 commies bij de
provinciale griffie van Zeeland. Was vele jaren secretaris van het
Zeeuwsch Genootschap en schreef artikelen in diverse tijdschriften;
daarnaast: Natuur- en geschiedkundige beschrijving van den
watervloed tusschen den 14den en 15den Januari 1808 (1808) en
De provincie Zeeland (met de theoloog Johannes ab Utrecht
Dresselhuis; 1824). Ref.: EZ. (vdt305)
«
(Den Haag 10 dec. 1817 - Santpoort 28 juni 1856), ingenieur. Was
na zijn studie in Delft werkzaam bij de Algemene Dienst van de
Waterstaat en vervolgens arrondissementsingenieur te Utrecht en
Zwolle. In 1850 werd hij ingenieur-directeur van de Overijsselsche
Kanaalmaatschappij. Wegens zijn slechte psychische gesteldheid werd
hij opgenomen in Meerenberg waar hij twee jaar later overleed.
Schreef, met zijn voorganger T.J. Stieltjes, Rapport over de
verbinding van de Eems bij Hanekensveer met de Overijsselsche
kanalen te Almelo (1851). Ref.: NBW5. (vdt306)
«
(Monnikendam 9 dec. 1827 - Groningen 29 aug. 1896), ingenieur.
Werkte, na zijn studie en promotie in 1850 aan de KA te Delft, met
B.P.G. van Diggelen aan diens plan uit 1849 tot afsluiting en
droogmaking van de Zuiderzee. Maakte, in dienst van de Provincie
Groningen te Appingedam, een plan voor realisatie van de Johannes
Kerkhovenpolder. Werkte sinds 1865 als hoofdingenieur van de PWS te
Leeuwarden, Zwolle en Groningen en gaf leiding aan de bouw en
verbetering van diverse scheepvaartkanalen. Schreef Staat van
alle bevaarbare vaarten en kanalen met de daarin gelegen schut- en
uitwateringssluizen in de provincie Groningen (1869). Ref.:
NBW7, RKS. (vdt307)
«
(Leeuwarden 27 jan. 1922 - Zierikzee 9 jan. 1998), archivaris.
Was van 1947 tot 1958 werkzaam bij de provinciale archiefinspectie
in Friesland, tot 1961 streekarchivaris van Brabants Westhoek en
tot 1968 van Noordoost-Friesland. Daarna was hij tot 1987
gemeentearchivaris en conservator in Zierikzee. Samensteller van
diverse archiefinventarissen en schrijver van vele artikelen over
de regionale geschiedenis en het historisch erfgoed van Friesland,
West-Noordbrabant, Schouwen Duiveland en Zierikzee. Bijzonder is:
Tot keringe der wateren; dijkverkenningen langs de vaderlandse
kuststrook (9 dln.; 1977-1979). Ref.:
EHF. (vdt307a)
«
(Den Helder 14 juli 1847 - Den Haag 7 juni 1928; begraven op Oud
Eik en Duinen), ingenieur, redacteur. Was, na in 1867 te zijn
afgestudeerd aan de PS te Delft, werkzaam bij RWS met verschillende
standplaatsen, sinds 1911 als HIG. Vervulde daarnaast een
belangrijke rol bij het KIVI als lid van de Raad van Bestuur, als
voorzitter (1912-1916) en als mede-oprichter en redacteur van
De Ingenieur (1886), waarvoor hij in 1922 werd benoemd tot
erelid. Kemper had de leiding over de aanleg van het Merwedekanaal,
waarover hij het rapport Beschrijving van het kanaal van
Amsterdam naar de Merwede (met atlas; 1895) samenstelde. Ook
was hij samensteller van het zeer verdienstelijke Repertorium
der literatuur van den waterstaat van Nederland (1883; 2e
verm. dr. 1915). Ref.: GGK, ING 1912 n40 p801, ING 1922 (n29 p585
en n36 p690), ING 1928 n24 pA177-A179, JCBG. (vdt308)
«
(Haarlem 30 dec. 1910 - Oosterbeek 2 juli 1996), ingenieur.
Studeerde weg- en waterbouwkunde aan de MTS te Haarlem en slaagde
in 1936 met lof aan de TH in Delft. Werkte sinds 1937 bij RWS,
aanvankelijk bij het arrondissement Noordzeekanaal, in 1945/46 bij
de Dienst Droogmaking Walcheren en bij de Dienst Dijkherstel
Zeeland na de Februariramp van 1953. Volgde in 1961 A.G. Maris op
als DG van de RWS en werd bij zijn pensionering in 1974 opgevolgd
door J.W.Tops. Zijn meest bekende publicatie is Zestig jaren
veranderingen in de organisatie van de Rijkswaterstaat
1920-1980 (1985). Ref.: AB, ED, LW 1974 n6 p35, WWN63.
(vdt309)
«
(Wisch 7 mei 1879 - De Bilt 25 aug. 1955), wegenbouwkundige,
schilder. Begon als opzichter, later als technisch ambtenaar bij
RWS. Was vervolgens directeur van verschillende bedrijven in de
wegenbouw. Was daarnaast een erkend schilder/tekenaar van
landschappen en stillevens en ontwerper voor de plateelfabriek
Rozenburg in Den Haag. Schreef enkele leerboeken voor het technisch
onderwijs w.o. Kribben en bleeslagen (1911),
Practische hydrometrie (1912) en Waterbouwkundig
vragenboek (1913). Ref.: NBK, WID5. (vdt310)
«
(Ouddorp 19 dec. 1830 - Den Haag 21 mei 1901), ingenieur. Maakte
zich, na in 1852 te zijn afgestudeerd aan de KA in Delft, zeer
verdienstelijk met de ontwikkeling van de telegrafie en
staatsloterij. Was van 1863 tot aan zijn dood lid van de TK voor
Zierikzee. Schreef: De doorbraak van den grooten
Zuidhollandschen waard op den 18 November 1421 (1864). Ref.:
NBW2, WBV. (vdt311)
«
Voorkant van: De Groninger veenkoloniën: een sociaal-geografische studie / H.J. Keuning. - Groningen: Van Dijk & Voorthuis, 1989
(Veendam 8 juni 1904 - Haren 14 feb. 1981), historisch-geograaf,
hoogleraar, publicist. Studeerde sociale geografie in Utrecht en
promoveerde in Amsterdam op De Groninger veenkoloniën
(1933). Was leraar, later hoogleraar in de sociale geografie te
Groningen. Publiceerde op het gebied van de fysische, historische,
sociale en economische geografie. Zijn meest bekende werken zijn
De historisch-geografische landschappen van Nederland
(1946) en Het Nederlandse volk in zijn woongebied (1947).
Ref.: HA 1988 p269-282, NGE, VGV, WID6, WWN63. (vdt312)
«
(Usquert 4 aug. 1881 - Schiedam 7 juli 1957),
historisch-geograaf, leraar. Was onderwijzer te Makkum, Exmorra,
Cornwerd en Hollum, leraar aan de ambachtsschool te Groningen en
vele jaren leraar aardrijkskunde in Schiedam. Publiceerde over de
geschiedenis van de cartografie, atlassen en kaartenmakers en over
regionale historische geografie w.o. De toestand van den
Maasmond in de 16de en het begin der 17de eeuw (1918). Zie
ook: F.C. Wieder. Ref.: TKNAG 1957 n4 p479-482, WID5-6.
(vdt313)
«
(Padang, NOI 28 aug. 1845 - Maastricht 18 dec. 1910), ingenieur.
Werkte, na te zijn afgestudeerd aan de PS in Delft, bij
verschillende diensten van RWS, laatstelijk als HID in de directie
Limburg. Schreef o.m. Plan tot watervrijmaking van
's-Hertogenbosch en een gedeelte der landen tusschen de
Zuid-Willemsvaart en de rivier de Dommel (1877) en De
waterbeweging in het Krabbersgat bij Enkhuizen (1893). Ref.:
ING 1910 n52 p1026. (vdt314)
«
Eerste pagina van artikel: Bedijking van Zuidelijk Flevoland (2) / door M. Klasema TIJD In: Land en Water GEG: 5 (1961) 6 (november-december). - p. 220-225
(Drachten 12 mei 1912 - Leersum 1 nov. 1974), ingenieur. Was, na
in 1937 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, korte tijd
werkzaam bij het WL in Delft. Was meermalig Elfstedentochtrijder en
maakte jarenlang deel uit van de Nationale Atletiekploeg voor de
Olympische Spelen. Werkte sinds 1938 bij de Dienst der ZZW in Den
Haag, Kampen, Urk en Enkhuizen. Had een belangrijk aandeel bij het
herstel van de door oorlogshandelingen vernielde Wieringermeerdijk
in 1945 en het dijkherstel op Schouwen-Duiveland in 1953. Hij
volgde in 1967 F.L. van der Bom op als HID, welke functie van 1972
tot 1975 werd waargenomen door J. Middelburg en in 1975 werd
overgedragen aan W.F. Hooning. Klasema was internationaal erkend
als deskundige op het gebied van de dijkbouw. Schreef o.m.
Bedijking van Zuidelijk Flevoland (1961) en een historisch
overzicht van de ZZW onder de titel Vijftig Zuiderzeejaren
(met J.Th. Thijsse, J.J. Weeda, J. Middelburg en J.C. le Nobel;
1969). Zie ook: J.B. Schijf. Ref.: ING 1974 n49 p974, LW 1961 n4
p136-138, LW 1967 n5 p239-240, LW 1974 n11 p17, WW p16, ZJI.
(vdt315)
«
(Rotterdam 19 okt. 1819 - Rotterdam 30 jan. 1898), fabrikant,
lokaal historicus. Was tegelfabrikant in Delfshaven met grote
belangstelling voor de geschiedenis van zijn geboorteplaats.
Schreef: Beschrijving en geschiedenis van Delfshaven, benevens
die van Schoonderloo en het slot Spangen (1873, herdruk 1970).
Ref.: NBW4. (vdt316)
«
(Edam 20 april 1907 - Voorburg 22 mei 2005), ingenieur,
hoogleraar. Was, na in 1930 te zijn afgestudeerd als civiel
ingenieur aan de TH in Delft, een jaar in dienst van het WL in
Delft. Van 1931 tot 1936 was hij werkzaam bij PW van Amsterdam.
Vervolgens was hij tot 1972 in dienst van PWS van Zuid-Holland,
sinds 1952 als HID en enige jaren later hoofddirecteur van PWS en
PPD samen. Daarnaast was hij sinds 1954 buitengewoon hoogleraar
waterbouwkunde aan de TH in Delft voor het vak polders en sinds
1960 ook civiele planologie. Hij was lid van onder meer de
Commissie Inrichting Deltawerken, de Oosterscheldecommissie en de
Raad van de Waterstaat. Hij schreef o.m. Wisselende aspecten
van ons polderwezen (1954) en Randstad en delta
(1956). Ref.: HZH, LW1972 n3 p48-49, WID6.(vdt316a)
«
(Voorburg 1 mrt. 1892 - Kaapstad 12 mrt. 1960), ingenieur. Was,
na in 1916 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, tot 1928 in
dienst van RWS. Bij de Maaskanalisatie ontwikkelde hij zich als
deskundige op het gebied van sluizen en stuwen. Als ontwerper van
het Julianakanaal liet hij in Berlijn modelproeven uitvoeren. Was
vervolgens directeur van de Oranje Nassaumijnen en sinds 1934
adjunct-directeur van de Ned. Mij. voor Havenwerken te Amsterdam.
Schreef enkele artikelen w.o. De nabij Maastricht in uitvoering
zijnde werken in het Julianakanaal (1927). Ref.: ING 1960 n47
pA622, PKN, WID5-6, WND. (vdt317)
«
Titelblad van: De Zuiderzee: een herinneringswerk / woord vooraf H. Colijn ; bijdr. door J.C. Ramaer [et al.].- Amsterdam: Scheltema & Holkema, 1932. - bevat o.a. G.G. Kloeke, De tongvallen langs de Zuiderzeekust en op de eilanden. - p. 141-156
(Schagen 10 juli 1887 - Leiden 5 nov. 1963), taalkundige,
hoogleraar. Studeerde letteren in Amsterdam, Groningen en Leipzig
en promoveerde in 1914 te Leipzig en in 1922 te Amsterdam. Was
leraar te Winschoten, Alkmaar en Leiden en lector in Hamburg en
Bonn. Was van 1934 tot 1956 hoogleraar in de Nederlandse taalkunde
te Leiden. Bracht de dialectgeografie in ons land tot grote
ontwikkeling. Schreef o.m. De tongvallen langs de
Zuiderzeekust (1932). Ref.: GEN, WID5-6, WP7, WWN63.
(vdt318)
«
(Burum 20 maart 1878 - Groningen 12 dec. 1963), landbouwer,
waterstaatshistoricus. Was werkzaam als boer te Oldehove, later te
Grijpskerk. Maakte als lid van PS van Groningen uitvoerige studie
van de waterstaatstoestand en schreef daarover: De
waterstaatkundige ontwikkeling van het Westerkwartier (1945),
De waterstaatkundige ontwikkeling van de omgeving der stad
Groningen (1950), Niveauveranderingen gedurende onze
jaartelling in verband met de waterstaatkundige ontwikkeling van
ons land, in het bijzonder die der provincie Groningen (1952)
en De waterstaatkundige ontwikkeling van Nederland (1954).
Ref.: GE, NGE. (vdt319)
«
(Amsterdam 1792 - Amsterdam 5 nov. 1851), cargadoor, fabrikant.
Was cargadoor te Amsterdam; had later een zeepfabriek in
Amersfoort. Diende in 1848 een plan in voor afsluiting van de
Zuiderzee: De indijking en droogmaking van de Zuiderzee en het
IJ, met kanalen vanaf den IJssel bij Arnhem, langs Amsterdam tot in
de Noordzee (met P. Faddegon). Overleed aan 'eene uitteerende
ziekte'. Ref.: GPZ. (vdt320)
«
(roepnaam: Lili; Utrecht 14 feb. 1903 - Deventer 3 feb. 1977),
archivaris, historica. Na de middelbare school bekwaamde zij zich
door zelfstudie en was enige tijd lerares te Bloemendaal en Kampen.
Daarna was ze werkzaam bij de Universiteitsbibliotheek van
Amsterdam, studeerde geschiedenis aan de UvA en promoveerde in
Utrecht. In haar werk springt het biografisch element naar voren,
zoals in Nederland in den goeden ouden tijd (1942), het
reisverslag van Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp
in 1823. Ref.: BJ78, BWN4, WID5-6. (vdt321)
«
(Harderwijk 24 nov. 1898 - Amstelveen 11 feb. 1977), journalist.
Redigeerde en schreef een aantal boeken over de havens en
scheepvaart van Amsterdam, w.o. Vijfenzeventig jaar
Noordzeekanaal (1951), Amsterdamse Rijnvaart; het nieuwe
Amsterdam-Rijnkanaal (1952), Havenboek Amsterdam
(1969), alsmede het gedenkboek Een eeuw waterstaatswerk in
Nederland (1953). (vdt322)
«
(Wijdenes 19 aug. 1918 - Bilthoven 5 juni 2006), cartograaf,
hoogleraar. Studeerde in 1950 af als geodetisch ingenieur aan de TH
in Delft en promoveerde aan de Universiteit van Utrecht op:
Collections of maps and atlases in The Netherlands (1961).
Was van 1968 tot 1981 hoogleraar cartografie en geodesie aan de
Universiteit van Utrecht. Publiceerde veel over de geschiedenis van
de cartografie. Was redacteur van het tijdschrift Imago
Mundi en schreef het boek: Geschiedenis van de kartografie
van Nederland; zes eeuwen land- en zeekaarten en
stadsplattegronden (1983). Ref.: In memoriam Prof. dr. ir. C.
Koeman (2006). (vdt322a)
«
(Middelharnis 18 nov. 1886 - Oosterbeek 4 apr. 1970), ingenieur.
Was, na in 1911 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, vele jaren
werkzaam als hoofdingenieur bij het Hoogheemraadschap Delfland en
daarna bij de PWS van Groningen. Schreef o.m. Rapport over de
kustverdediging van Delfland ten noorden van Scheveningen
(1927). Ref.: ING 1970 pA349, NP 1994. (vdt323)
«
(Deil 24 jan. 1848 - Deil 28 jan. 1931), burgemeester,
dijkgraaf. Was, na zijn studie rechten in Utrecht, aanvankelijk
notaris, later burgemeester van Deil en dijkgraaf van de
Tielerwaard en het waterschap van de Linge-Uitwatering. Schreef:
De beneden-Linge en hare uitwatering; geschiedkundig
overzicht (1924). (vdt324)
«
(Raamsdonk 25 apr. 1786 - Bergen op Zoom 28 okt. 1854),
landmeter. Werkte als landmeter bij waterstaat en kadaster. Wierp
zich op als ingenieur en misfunctioneerde als zodanig bij de
waterstaat te Haarlem en Assen. Schreef De ontworpen
kanalisatie van Drenthe uit het ware oogpunt beschouwd en in hare
waarde geschetst (1847). Ref.: JCBG, NBW6. (vdt325)
«
(Den Haag 13 feb. 1867 - Den Haag 6 feb. 1944), ingenieur,
minister. Werkte, na zijn opleiding aan de PS te Delft, in
verschillende functies bij RWS, laatstelijk als HID van de Directie
Limburg. Was van 1918 tot 1922 minister van Waterstaat en tot 1924
DG van de PTT. Zijn enig bekende artikel luidt Verbetering van
den waterweg van Zwolle naar zee (1897). Ref.: ING 1945 pA126,
PKN. (vdt326)
«
(Den Haag 7 okt. 1869 - Den Haag 27 apr. 1956), ingenieur.
Werkte, na in 1892 te zijn afgestudeerd als civiel ingenieur aan de
PS te Delft, in verschillende functies, afwisselend bij RWS en in
het Midden Oosten. Was van 1906 tot 1914 werkzaam bij de
rivierverbetering van de Maas, tot 1918 bij werken in het
Suezkanaal en de haven van Suez en tot 1930 als HID van RWS, belast
met de verbeteringswerken van de Maas. Ontwierp plannen voor de
havens van Jaffa, Haifa, Beiroet en Tripoli. Schreef o.m. het
driedelige standaardwerk De Nederlandsche Scheepsbouw vanaf
zijn oorsprong (1895-1905) en Scheiding van Maas en Waal;
beschrijving van den vroegeren waterstaatkundigen toestand in
Noordbrabant, alsmede van de werken uitgevoerd voor de verlegging
van den Maasmond (1906). Was een verdienstelijk tekenaar en
schilder van landschappen en dieren. Ref.: ING 1956 pA371-A372,
NBK, PKN, WID5-6. (vdt327)
«
Eerste pagina van artikel: Zuiderzee- prognose: het IJsselmeer en het Friesche oppervlaktewater / W. van Konijnenburg TIJD In: Cultura GEG: 35 (1923). - p. 74-79; 99; 108
(zoon van E. van Konijnenburg; Den Bosch 8 mrt. 1897 - Rotterdam
20 aug. 1979), ingenieur, leraar. Studeerde in 1920 af aan de TH in
Delft en promoveerde aldaar in 1929 met lof op Het beheer onzer
waterschappen uit een economisch oogpunt beschouwd. Was tot
1942 werkzaam bij de Directie der Domeinen voor
landaanwinningswerken te Ulrum. Verbleef van 1951 tot 1959 in
Canada en was daarna werkzaam als leraar aan het Thomas More
college in Den Haag. (vdt328)
«
Voorkant van: Bevloeiingen in Noord- en Midden-Europa: rapport omtrent een reis tot bezichtiging van irrigatie- inrichtingen ingevolge opdracht van den dijkstoel van het polderdistrict over- betuwe ingezonden aan genoemde dijkstoel 12 december 1887 / J. van Hasselt en De Koning. - Nijmegen: H.C.A Thieme, 1888
(Muiderberg 9 juni 1855 - Hilversum 24 mrt. 1906), ingenieur.
Was na zijn studie aan de PS te Delft werkzaam als opzichter bij
RWS belast met stroommetingen op de grote rivieren. Sloot zich in
1881 aan bij zijn vriend J. van Hasselt te Nijmegen en vormden
samen de maatschap J. van Hasselt en de Koning. Richtte zich, als
cultuurtechnisch ingenieur, vooral op de ontginning van 'woeste
gronden' en de 'verbetering' van de kleine rivieren in het oosten
van ons land. Schreef daarover vele rapporten en artikelen w.o.
De waterstaatkundige toestand van het waterschap van Vollenhove
en over de middelen om daarin verbetering te brengen (met J.
van Hasselt; 1912) en verzorgde deel 3 (over bruggen) van het
handboek Waterbouwkunde (1889) van N.H. Henket. Was
bestuurslid van het KIVI. Zie ook: J.van Hasselt. Ref.: BWG2,
Hakoerier (1981), Honderd jaar Haskoning (1981), ING 1906 n13
p219-220, ING 1906 n50 p957-962, NBW4, RHN p16. (vdt329)
«
(Bovenkarspel 5 dec. 1877 - Purmerend 4 sep. 1940),
burgemeester, dijkgraaf. Autodidact; was burgemeester van Wormer en
Purmerend, voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
en gedeputeerde van waterstaatszaken in Noord-Holland. Tijdens zijn
laatste levensjaar was hij dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van
de Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier. Van jongs af
bekend als schrijver van een aantal juridische werken w.o.
Handboek voor besturen, beambten en ingelanden van
waterschappen in de provincie Noord-Holland (1904) en
Waterstaatswetgeving (5 dln., 1902-1921). Ref.: H.S.Danner
e.a. Die water keert (1994). (vdt330)
«
(Zaltbommel 31 mei 1894 - Rotterdam 24 juli 1970), ingenieur.
Werkte, na in 1919 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, tot
1925 voor de Hollandsche Beton Maatschappij in NOI. Was daarna
werkzaam bij het Gemeentelijk Havenbedrijf van Rotterdam, van 1932
tot 1959 als directeur. Verbleef in 1960 als adviseur voor
havenaanleg in Iran. Schreef o.m. een hoofdstuk in De
Technische Vraagbaak deel W: Zeehavens (1950). Ref.: WID5-6.
(vdt331)
«
Voorkant van rapport: Verhooging van de stormvloedsstanden op de Friesche kust, tengevolge van de afsluiting der Zuiderzee / door C.W. Lely. - Nota betreffende den te verwachten invloed van de afsluiting van de Zuiderzee op de waterhoogten langs de Friesche en Groninger kusten / door J. Kooper. - [S.l.] : Zuiderzeevereniging, 1918
(Den Haag 8 aug. 1876 - Groningen 5 sep. 1939), ingenieur.
Werkte, na zijn studie aan de KMA te Breda, sinds 1912 bij de
Rijksdrinkwatervoorziening in Groningen. Sinds 1915 in dienst van
PWS in Groningen als hoofdingenieur. Onder zijn leiding kwamen
diverse werken tot stand w.o. enkele polders en in 1920 het
elektrisch gemaal De Waterwolf te Lammerburen. Was o.m. lid van de
Staatscommissie Zuiderzee. Zijn levenswerk was het boek Het
waterstaatsverleden van de provincie Groningen (1939) dat nog
steeds geldt als standaardwerk over de waterstaatsgeschiedenis van
de provincie Groningen. Ref.: AWN3, BNE, ING 1939 pA412-A414, NGE,
PKN, RKS. (vdt332)
«
(Oldelamer 7 okt. 1906 - Balk 5 mrt. 1998; begraven te Spanga),
schilder, schrijver. Ontwikkelde zich, zonder enige voltooide
beroepsopleiding, tot een erkend schilder en verdienstelijk
schrijver die zijn werk van eigen illustraties voorzag. Woonde en
werkte achtereenvolgens in o.m. Spanga, Buenos Aires, Montevideo,
Oudemirdum en Balk. Veelzijdig grafisch kunstenaar, daarnaast
schrijver en tekenaar van het Weststellingwerfse waterlandschap.
Schreef o.m. Een en ander over de oude veenderij (1941),
Langs de Linde (1945) en Wind in het riet (1966).
Zie ook: U. Dorhout. Ref.: S.A. Bloemhoff e.a. Dirk Kerst
Koopmans, schilder van de Scheene (1996), EF, NBK.
(vdt333)
«
(Pingjum 28 mrt. 1851 - Warga 12 mrt. 1890), notaris. Was, na
zijn studie rechten, van 1884 tot zijn vroegtijdige dood notaris te
Warga. Schreef vanaf 1883 enkele historische artikelen w.o. De
Middelzee in verbinding met den Fliestroom langs Bolsward
(1890). Ref.: EF. (vdt334)
«
(Groningen 20 mrt. 1902 - Amsterdam 20 dec. 1947), publicist,
natuurbeschermer. Was, na zijn opleiding aan de RHBS in Groningen,
werkzaam als journalist in Zutphen en Amsterdam. Studeerde enige
jaren sociologie aan de UvA. Was in 1920 mede-oprichter en eerste
voorzitter van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurhistorie. Nam in
1927 het initiatief tot oprichting van de Club van
Zuiderzeewaarnemers. Schreef vele artikelen en boeken w.o.
Natuurmonumenten van Nederland (1940). Ref.: IBV.
(vdt335)
«
Voorkant van rapport: Het wetsontwerp voor den aanleg van een gedeelte van de afsluiting der Zuiderzee en indijking en droogmaking van de Wieringermeer: rede, uitgesproken te Amsterdam op 11 Februari 1909 / door J. Kraus. -: 's - Gravenhage : Belinfante, 1909. - Overdr. uit: De ingenieur: orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs. (1909) 8 (20 februari). - 20 p.
(Groningen 14 okt. 1861 - Den Haag 29 aug. 1951), ingenieur,
hoogleraar, minister. Werkte, na zijn studie aan de PS te Delft,
enige jaren in Chili. Werd in 1890 hoogleraar in Santiago en leidde
de uitvoering van havenwerken in Talcahuano. Was sinds 1898
hoogleraar in de waterbouwkunde en volgde in 1900 J.M. Telders op
als directeur van de PS (van 1905 tot 1906 rector magnificus van de
TH) in Delft. Had een belangrijk aandeel in de omzetting van PS tot
TH waarvoor hem in 1907 een eredoctoraat werd verleend. Was
minister van Waterstaat en adviseur voor de aanleg van havens en
het beheer van spoorwegen in NOI. Was van 1909 tot 1912 voorzitter
van het KIVI en werd in 1922 tot erelid benoemd. Schreef o.m.
Het wetsontwerp voor den aanleg van een gedeelte van de
afsluiting der Zuiderzee en indijking en droogmaking van de
Wieringermeer (1909). Overleed aan boord van de Oranje, één
dag varen vóór Port Said. Zie ook: W. Brandsma, G.H. van den Broek.
Ref.: BJ52, DLW, ENW, GGK, ING 1951 n37 pA405-A406, PKN, WID5, WND,
WP7, WT. (vdt336)
«
baron Krayenhoff, Cornelius Rudolphus Theodorus
(Nijmegen 2 juni 1758 - Nijmegen 24 nov. 1840), genie-officier,
cartograaf, minister. Studeerde geneeskunde en promoveerde te
Harderwijk. Was arts te Amsterdam maar werd, door toedoen van zijn
vriend Daendels, luitenant-kolonel-ingenieur belast met de
fortificatiën. Onder zijn leiding werd een algemene kaart van ons
land vervaardigd die in 1821 gereed kwam, waartoe o.m.
waterpassingen langs de grote rivieren werden verricht en de eerste
driehoeksmeting van ons land werd uitgevoerd. Van 1809-1810 was hij
minister van Oorlog. Schreef o.m. Proeve van een ontwerp tot
scheiding der rivieren de Whaal en de Boven Maas en het doen
afloopen dezer laatste over hare ouden bedding op het Bergsche
Veld (1823). Dit plan werd in de jaren 1883-1904 ten uitvoer
gebracht. Ref.: JCBG, NBW2, NGL, De physique existentie dezes
lands (1987), TWG 1999 n1 p9, WP7. (vdt337)
«
(zoon van S. Kros; 2 juni 1786 - Zwolle 31 mei 1860), ingenieur.
Begon zijn loopbaan als opzichter bij de bouw van de
uitwateringssluizen te Katwijk. Werd landmeter bij de waterstaat en
daarna ingenieur. Zijn omgang met de medemens was zodanig dat hij
vele standplaatsen kreeg toegewezen: Den Haag, Gorinchem, Arnhem,
Assen, Groningen en Leeuwarden. Schreef o.m. Vergrooting der
zeehaven te Harlingen (1851) en De eilanden Ameland en
Schiermonnikoog met het Reitdiep (1853). Ref.: JCBG, NBW7.
(vdt338)
«
(1749 - dec. 1813), sluis- en molenbouwer. Leverde een
belangrijk aandeel in de bouw van de uitwateringssluizen te Katwijk
(1804-1807) waarover hij, met F.W. Conrad Sr. (zie daar) en A.
Blanken, een rapport schreef. Ref.: NBW7.(vdt339)
«
Voorkant van: Urk: eiland in de Zuiderzee: beschrijvende catalogus van de tentoonstelling gewijd aan het voormalige eiland Urk, te houden van 25 maart tot 1 november 1964 in het Rijksmuseum "Zuiderzeemuseum" te Enkhuizen / [G.R. Kruissink, Riet Hijlkema]. - Enkhuizen : Rijksmuseum "Zuiderzeemuseum", 1964
(pseudoniem: Wiebe Dijkstra; Enschede 13 aug. 1908 - Heelsum
gem. Renkum 13 nov. 1989), museumdirecteur. Werkte, na zijn studie
aan de Economische Hogeschool te Rotterdam, enige jaren als
journalist, als onderbibliothecaris van het CBS te Voorburg en als
directeur van het Haags Instituut voor Volksontwikkeling. Was van
1957 tot 1973 directeur van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen.
Schreef o.m. Schokland's strijd tegen het water (1959),
Zuiderzee; 117 foto's van het Rijksmuseum Zuiderzeemuseum te
Enkhuizen (1961), Urk, eiland in de Zuiderzee (1962)
en Verzen bij de vleet: gevangen bij het vissen naar dicht en
rijm op de wateren en langs de oevers van de voormalige
Zuiderzee (1964). Ref.: WWN63. (vdt340)
«
(roepnaam: Jaap; Watergraafsmeer 23 juli 1913 - Amsterdam 11
sep. 1996), onderwijzer, folklorist, publicist. Was van 1934 tot
1978 onderwijzer te Amsterdam en maakte studie van folklore,
regionale geografie, historische monumenten en geschiedenis van de
hoofdstad. Was mede-oprichter en van 1957 tot 1981 voorzitter van
de vereniging Ons Amsterdam. Schreef sinds 1937 honderden artikelen
en enige tientallen boeken w.o. Watergraafsmeer, de
geschiedenis van een polder (1971) en Amsterdam, stad der
duizend bruggen (1973) dat bekroond werd met de ANWB-prijs.
Ref.: Ons Amsterdam 1996 n1 p24-28. (vdt341)
«
Voorkant van: Geo-hydrologische gesteldheid van de Wieringermeer/ samengest. door den Dienst der Zuiderzeewerken in samenwerking met het Rijksbureau voor drinkwatervoorziening; voorw. V.J.P. de Blocq van Kuffeler, W.F.J.M. Krul. - 's Gravenhage: Algemeene landsdrukkerij, 1936.
(Breda 4 dec. 1893 - Den Haag 4 nov. 1982), ingenieur,
hoogleraar. Trad, na zijn opleiding aan de KMA in Breda, in 1921 in
dienst van het Rijksbureau voor Drinkwatervoorziening (sinds 1940
RID) in Den Haag, van 1922 tot 1958 als directeur. Werd in 1947
benoemd tot hoogleraar in de drinkwatervoorziening aan de TH in
Delft. Schreef diverse tijdschriftartikelen over de winning en
behandeling van drinkwater alsmede Geo- en hydrologische
beschouwingen betreffende de provincies Noord-Brabant en
Zeeland (met J.F. Steenhuis; 1922-1924). Zie ook: W.H. van
Marle. Ref.: WID5-6, WWN63. (vdt342)
«
(roepnaam: Gie; Halfweg 3 sep. 1904 - Leusden 6 aug. 1992),
entomoloog. Studeerde biologie en promoveerde aan de UvA. Was vele
jaren verbonden aan het Zoölogisch Museum van de UvA. Was daarnaast
kenner van de geschiedenis en cultuur van het polderlandschap en
wordt algemeen beschouwd als de nestor van de Nederlandse
floristiek. Onderzocht, met M.J. Adriani en J. Vlieger, de gevolgen
van de verzoeting van het IJsselmeer voor de plantengroei hierin en
omheen. Van zijn publicaties noemen we: Verslag over de tocht
van 17-22 juli 1933 met de "Jacoba" tot onderzoek der ondergedoken
begroeiing in het IJsselmeer (1933). Samen met zijn
oud-studiegenoot en collega-entomoloog G. Barendrecht, schreef hij
zijn meest bekende werk: De glorie van ons polderland
(1938). Ref.: J. Vlieger In memoriam: Gideon Kruseman
(1992). (vdt343)
«
(Dundee 22 juli 1902 - Leiden 17 dec. 1976), geoloog,
hoogleraar. Nam als pas afgestudeerd geoloog deel aan de
Snellius-expedite in de wateren van NOI. Sinds 1946 hoogleraar in
de geologie aan de RU te Groningen; deskundige op het gebied van de
mariene geologie, kustmorfologie en hydrogeologie. Van zijn meest
bekende leerboeken noemen we De kringloop van het water
(1948) dat ook in het Engels is uitgebracht als Realms of
water (1955); van zijn vele tijdschriftartikelen: De
Drentsche riviertjes en het meandervraagstuk (1945). Ref.:
BJ77, BWN5, WP7. (vdt344)
«
(Enschede 16 juli 1871 - Enschede 9 mei 1954), jurist. Vestigde
zich, na zijn studie rechten te Utrecht, als advocaat en procureur
te Almelo. Was daarnaast inspecteur van het Lager Onderwijs in
Overijssel. Schreef vanuit zijn grote belangstelling voor de
cultuurgeschiedenis van zijn omgeving o.m. De Twentsche
watermolens (opgedragen aan J.J. van Deinse; 1922, herdruk
1973). Ref.: NP 1974. (vdt345)
«
van der Kun, Leopold Johannes Antonius
(Utrecht 21 sep. 1801 - Den Haag 26 jan. 1864), ingenieur. Zeer
veelzijdig man die, na zijn opleiding aan de artillerie- en
genieschool in Delft, zeer vele functies bij de waterstaat
bekleedde. Zo werkte hij aan het Noordhollands Kanaal, ontwierp de
havens van Oostende en Brugge, droeg bij aan rivierverbetering,
bevaarbaarmaking van de Maas en aanleg van spoorwegen en
telegrafie. Gold in zijn tijd als een ingenieur van groot kaliber,
bescheiden en kundig. Was in 1847 mede-oprichter van het KIVI en de
eerste secretaris (1847-1851). Werd in 1857 benoemd tot
hoofdinspecteur van de waterstaat. Van der Kun heeft weinig
gepubliceerd; we noemen: Rapport van de Inspecteurs van den
Waterstaat Ferrand en Van der Kun, nopens hetgeen tot verbetering
der Nederlandsche rivieren zou kunnen bewerkstelligd worden
(1854) en Verslag van de werkzaamheden tot zamenstelling der
groote kaart van de hoofdrivieren in Nederland (1855). Zie
ook: D.J. Storm Buijsing. Ref.: GGK, JCBG, NBW2, WG, WND.
(vdt346)
«
(Rotterdam 21 sep. 1821 - Den Haag 3 feb. 1908), geograaf,
cartograaf. Was sinds 1839 werkzaam bij de belastingdienst, de
laatste jaren als rijksontvanger. Had sinds zijn jeugd grote passie
voor de aardrijkskunde. Was in 1873 mede-oprichter van het KNAG en
was van 1875 tot 1900 voorzitter van de afdeling Nederland en sinds
1902 erelid. Publiceerde regelmatig in het TKNAG, zoals met
Indijking der Lauwerszee (1901). Ook schreef hij boeken en
vervaardigde hij kaarten en atlassen w.o. de zeer bekende
Gemeente-atlas van Nederland (11 dln.; 1869 e.v., de
zogenoemde Kuyper-atlasjes). Ref.: HJ, NBW3, TKNAG 1908 p352.
(vdt347)
«
(Schildwolde 11 nov. 1870 - Groningen 17 okt. 1936), leraar,
geograaf. Was onderwijzer te Enschede, Arnhem en Groningen en sinds
1906 leraar aan de Handels HBS aldaar. Schreef verschillende
aardrijkskundige leerboeken en verzorgde de 28e-35e herdrukken van
de Bos-atlassen. Redigeerde de serie Nederland in Woord en
Beeld w.o. Een gezicht op Walcheren en den Westkappelschen
zeedijk (1925). Ref.: GE. (vdt348)
«