Home + Archief + Waterschrijvers
(Bolsward 28 jan. 1796 - Leeuwarden 18 dec. 1873), jurist.
Studeerde rechten en promoveerde in 1817 te Groningen. Werkte als
advocaat en rechter te Leeuwarden en was lid van PS. Verdiepte zich
in de Friese taal en rechtsgeschiedenis en schreef o.m. Het
meer en het eiland Flevo, of blikken in de oudere geschiedenis van
Friesland, met betrekking tot haren vroegeren en tegenwoordigen
Waterstaat (1854). Ref.: EF. (vdt231)
«
Voorkant van: Mengelwerk / door Heinrich Gottfried Haasloop Werner. - In: Arent thoe Boecop (1993) themanummer 50 (april). - 60 p.
(Kleef 16 april 1792 - Elburg 29 sep. 1864), historicus.
Vestigde zich na zijn militaire loopbaan op het landgoed De Hare
onder Doornspijk. Was veelzijdig werkzaam: tekende het cultureel
erfgoed van de Noord-Veluwe en droeg veel bij aan de
geschiedschrijving van Elburg en omstreken. Werkte mee aan het
Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden van Van der Aa
en aan de Geologische kaart van Nederland. Van zijn
artikelen noemen we Bijssel in de stormvloeden van de jaren
1367 en 1717 (1850). Ref.: NBW3, PIR. (vdt232)
«
Voorkant van boek: Onze visscherij op Noord- en Zuiderzee / door J.W.J. Baron van Haersolte. - Haarlem: Tjeenk Willink, 1924
(Zwolle 28 sep. 1877 - Den Haag 21 mrt. 1950), marine-officier.
Was, na zijn opleiding aan het KIM, van 1901 tot 1904 werkzaam bij
de marine, tot 1912 als inspecteur bij de spoorwegen, tot 1918 als
ingenieur bij de Octrooiraad en sindsdien tot zijn dood als
directeur van het Instituut voor Scheepvaart en Luchtvaart te
Rotterdam. Schreef o.m. Het gulden boek der zee (1914),
Onze visscherij op Noord- en Zuiderzee (1924) en Vaar
wel! (ca. 1934). Ref.: Nederlandsch Adelsboek 1994
p72-73. (vdt233)
«
(Haarlem ca. 1550 - ca. 1613), zeevaarder. Was als één der meest
bekwame stuurlieden een erkend leermeester in de zeevaartkunde.
Vervaardigde in opdracht van de stad Amsterdam een nieuwe kaart van
de zuidoostelijke Noordzeekust: Amsterdamsche Zee-Caerten
(1585). Ref.: NBW1. (vdt234)
«
Eerste pagina van artikel: Zink- en aanverwante werken, benevens het waarom en de wijze waarop (VI) / door B. Hakkeling. - TIJD In: Otar: maandblad voor wegen- en waterbouw GEG: 53 (1968) 9 (september). p. 318- 324
(roepnaam: Bé; Muntendam 28 okt. 1900 - Ter Apel 5 nov. 1990),
waterbouwkundige, redacteur. Werkte zich op van timmermansleerling
tot hoofdwaterbouwkundige bij de RWS. Was van 1922 tot 1934
werkzaam bij de bouw van de Noordersluis te IJmuiden, daarna bij de
aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal en bij het beheer van de
Rotterdamse Waterweg. Redigeerde vele jaren het tijdschrift
OTAR en schreef daarin o.m. De schutsluis c.a. te Wijk
bij Duurstede (met J.C. Visser; 1939), Het sluizencomplex
te Ravenswaaij (1940) en De bijzondere ontwikkeling van
het rivierengebied benedenstrooms van Rotterdam (1970).
(vdt235)
«
(roepnaam: Herre; Sneek 9 juli 1920 - Amersfoort 3 dec. 1998),
archeoloog. Studeerde geschiedenis in Groningen en werkte als
assistent van A.E. van Giffen bij het terpenonderzoek. Oprichter en
conservator van het Fries Scheepvaartmuseum te Sneek en sinds 1949
als archeoloog verbonden aan de ROB te Amersfoort, gespecialiseerd
in kerkopgravingen. Streed met succes voor het behoud van
Amersfoorts oude binnenstad. Schreef o.m. Enkele oudheidkundige
aantekeningen over het ontstaan en de toeslijking van de
Middelzee (1955), Terpen tussen Vlie en Eems; een
geografisch-historische benadering (tekst en atlas, 1963), in
de wandeling 'de terpenatlas' genoemd, Onbedijkte kwelders als
woonoorden in het verleden der Friese kuststreken (1964) en
het autobiografische Van Sneek naar Amersfoort (1992).
Promoveerde in 1982 te Groningen op Frieslands Oudheid dat
in 2000 postuum in een handelseditie verscheen. Ref.: EF.
(vdt236)
«
(Sint Annaparochie 25 feb. 1882 - Den Haag 8 aug. 1954),
onderwijzer. Was, na zijn opleiding aan de Rijkskweekschool te
Deventer, enige jaren onderwijzer aldaar en sindsdien aan
verschillende scholen in Den Haag. Was een verdienstelijk
kunstcriticus en schreef gedegen artikelen en catalogi over
beeldende kunst. Daarnaast publiceerde hij over
waterstaatsgeschiedenis in het tijdschrift OTAR zoals:
De oeververdediging langs het strand van Scheveningen; bijdrage
tot de geschiedenis der strandwering en het dijkwezen aan de kust
der Noordzee in de zestiende eeuw (1938) en Een eeuw
Zuidplaspolder in Schieland 1839-1939; een rendabele droogmaking
van een Zuidhollandsch meren- en plassengebied (1940).
(vdt237)
«
(Tzum 8 sep. 1893 - Breda 23 feb. 1973), leraar, publicist. Was
onderwijzer te Franeker, later leraar aan een tuchtschool te
Ginneken. Historisch onderzoek en geschiedschrijving waren zijn
grote passie. Verrichtte als autodidact een omvangrijke
publicistische arbeid van niveau, waaronder boeken en artikelen
over lokale geschiedenis van Friesland en Noord-Brabant zoals
Het aandeel der Friese kloosters in de strijd tegen de
waterwolf (1937) en Geschiedenis van de gemeente
Dinteloord en Prinsenland (1955). Ref.: BWN3, EF, H.E.
Verwoerd Bibliografie van Anne Hallema (1979).
(vdt238)
«
(roepnaam: Kees; Overveen gem. Haarlem 21 sep. 1910 - Amsterdam
10 aug. 1975), journalist, schrijver, natuurfotograaf. Volgde na
zijn eindexamen HBS-B een chemisch-technische opleiding en was tot
1934 werkzaam als chemisch laborant en reclame-adviseur. Maakte van
zijn liefhebberij, de natuurstudie, zijn beroep als journalist en
veelzijdig schrijver van niveau die zijn werken met eigen foto's en
tekeningen illustreerde. Was van 1946 tot 1950 redacteur van
Natuur en Landschap (sinds 1977 Natuur en Milieu
geheten). Was secretaris van het Nationaal Natuurfonds en
bestuurslid van de Landelijke Vereniging tot Behoud van de
Waddenzee. Schreef diverse boeken op historisch-geografisch,
geologisch en biologisch gebied zoals: Van zee tot meer;
zwerftochten rondom de Zuiderzee (1940), Dieren in onze
landschappen (1943), Landschappen in Nederland
(1961), Waddenland en Waddenzee (1962) en Texel, van
Marsdiep tot Eyerlandse Gat (1970). Ontving in 1966 de Heimans
en Thijsse Prijs. Zie ook: J.P. Thijsse. Ref.: IBV, Natura 1975
p114-116, TJ. (vdt239)
«
(Den Haag 11 juli 1901 - Ukkel 18 april 1976), archivaris,
historicus. Werkte na zijn studie rechten te Leiden bij het
consulaat-generaal te Parijs en daarna bij het secretariaat van
Philips te Eindhoven. Zijn grote belangstelling voor
archiefonderzoek leidde tot een aanstelling bij het Rijksarchief,
eerst in Den Haag, daarna te Maastricht en later in Den Haag als
algemeen rijksarchivaris. Schreef diverse archiefinventarissen,
biografiëen en artikelen over toponymie, nederzettingsgeschiedenis
en lokale geschiedenis van Limburg en Zuid-Holland w.o.
Lugdunum Batavorum, een vergelijkende studie (1942). Ref.:
BWN4, WID5-6. (vdt240)
«
Artikel: De microbiologie der Zuiderzeegronden / G.W. Harmsen UIT: Landbouwkundig tijdschrift GEG: 47 (1935). - p. 852-875
(roepnaam: Foek, ook Sjouk; Sint Petersburg 20 juni 1903 -
Hilversum 2 juni 1981), landbouwkundig ingenieur, milieubeschermer.
Studeerde in 1929 af en promoveerde in 1946 aan de LHS in
Wageningen. Werkte van 1929 tot 1947 als bodemmicrobioloog bij de
Dienst der ZZW te Medemblik en Kampen en van 1951 tot 1968 bij het
Instituut voor Bodemvruchtbaarheid te Haren. Combineerde de
bodemkunde met zijn belangstelling voor watervogels in het
natuurbeheer van IJsselmeer, Waddenzee, Lauwersmeer en Dollard.
Maakte zich verdienstelijk met de inrichting van
waterwildreservaten in het Amstelmeer, de randmeren en de Dollard
en met het werk van de Waddenzee Commissie en Natuurmonumenten.
Ontving in 1974 de Gouden Lepelaar. Schreef o.m. Verzet tegen
een uitbreiding van de Eemshaven ten koste van het aangrenzende
wad (met J. Verwey; 1972). Ref.: IBV. (vdt241)
«
Voorwoord door W.J.H. Harmsen in boek: De wateren van Nederland / A.A. Beekman. - 's-Gravenhage: Martinus Nijhof, 1948
(Zutphen 4 jan. 1886 - Den Haag 11 jan. 1954), ingenieur. Werkte
na zijn studie aan de PS te Delft zijn hele leven bij RWS. Verwierf
bekendheid sinds hij in 1928 vanuit Den Haag belast was met ontwerp
en bouw van verkeersbruggen over de grote rivieren: Keizersveer,
Zaltbommel, Arnhem, Nijmegen, Vianen, Moerdijk, Hedel,
Hendrik-Ido-Ambacht en Dordrecht. Schreef daarover: Bruggenbouw
in verband met de aanleg van het Rijkswegennet in Nederland
(1939). Volgde in 1945 L.R. Wentholt op als DG van RWS en kreeg in
1947 een eredoctoraat van de TH te Delft (promotor: J.W. Thierry).
Werd in 1951 als DG opgevolgd door A.G. Maris. Was lid van de
Deltacommissie en van 1953 tot 1954 erevoorzitter van de Vereniging
"Eendracht maakt macht". Ref.: AB, BDD, DLW, GTW, ING 1954
pA85-A86, WID5, WT. (vdt242)
«
Voorkant van boek: Het eiland Urk, zijn bodem, voortbrengselen en bewoners / P. Harting. - Utrecht : Van Paddenburgh & Comp., 1853
(Rotterdam 27 feb. 1813 - Amersfoort 3 dec. 1885), medicus,
natuurkundige, hoogleraar. Studeerde medicijnen en promoveerde te
Utrecht. Werkte als arts te Oudewater, als hoogleraar geneeskunde
te Franeker, zoölogie te Utrecht en geologie te Amsterdam.
Verrichtte allerlei experimenteel onderzoek op
natuurwetenschappelijk gebied en vervaardigde zonodig zelf de
daarvoor benodigde instrumenten. Schreef vele artikelen en boeken
w.o. Het eiland Urk, zijn bodem, voortbrengselen en
bewoners (1853), later ook op geologisch gebied, zoals De
geologische en physische gesteldheid van den Zuiderzeebodem, in
verband met de voorgenomen droogmaking (1877). Ref.: EF, NBW9,
PIR. (vdt243)
«
(Haarlem 22 apr. 1914 - Houston 23 sep. 2002), roman- en
toneelschrijver. Ging als tienjarige naar zee, kwam in 1930 op de
zeevaartschool en schreef sinds 1934 diverse detectives (onder het
pseudoniem F.R. Eckmar = verrek maar), romans en toneelstukken met
name over sociale misstanden. Kreeg in 1940 grote bekendheid door
zijn Hollands Glorie, een roman over de Nederlandse
zeesleepvaart, die meer dan veertig drukken beleefde en verfilmd
werd. Vluchtte in 1943 naar Engeland en schreef sindsdien in het
Engels met vertalingen naar het Nederlands. Woonde sinds 1962 in
Amerika, waar zijn werk grote populariteit genoot. Beschreef in
De kleine ark (1954) de belevenissen van kinderen tijdens
de overstromingsramp van 1953; in het autobiografische
Herinneringen van een bramzijgertje (1967) de visserij op
de met afsluiting gedoemde Zuiderzee. Een boek over de geschiedenis
van de Nederlandse baggerbedrijven bleef onvoltooid. Ontving als
eerste in 1966 de Hustinx-prijs voor Nederlandse toneelschrijvers.
Ref.: F. van Campenhout Leven en werk van Jan de Hartog
(1987), EW, HSE, LML, LNA, LNL, PVL, WID5-6, WP7. (vdt244)
«
Voorkant van boek: Bevloeiingen in Noord- en Midden-Europa: rapport omtrent een reis tot bezichtiging van irrigatie-inrichtingen ingevolge opdracht van den dijkstoel van het polderdistrict over-betuwe ingezonden aan genoemde dijkstoel 12 december 1887 / J. van Hasselt en De Koning. - Nijmegen: H.C.A Thieme, 1888
(roepnaam: Johan; Sneek 5 mei 1850 - Heemstede 5 februari 1917),
ingenieur. Werkte, na zijn studie aan de PS te Delft, korte tijd
bij de waterstaat en een jaar als leraar aan de KMA te Breda.
Daarna, als zelfstandig raadgevend ingenieur, ontwerper van o.m.
enige stoomgemalen en in 1881 grondlegger van het ingenieursbureau
J. van Hasselt en de Koning te Nijmegen. Was vanaf 1888 tevens in
dienst van de Duinwater Maatschappij te Amsterdam; droeg in 1894 de
leiding van het bureau over aan J. de Koning. Werd in 1896
directeur van de Gemeentewaterleidingen in Amsterdam en was van
1900 tot 1907 directeur van PW van Amsterdam. Van Hasselt was lid
van de Raad van Bestuur van het KIVI. Hij schreef o.m. Rapport
over den waterstaatkundigen toestand van het waterschap van
Vollenhove en over de middelen daarin verbetering te brengen
(met J. de Koning; 1912). Zie ook: J. de Koning. Ref.: BWG1, CPE,
Hakoerier (1981), Honderd jaar Haskoning (1981),
ING 1917 n6 p110, ING 1917 n16 p282-285, RHN p15. (vdt245)
«
(Rotterdam 23 feb. 1840 - Den Haag 17 april 1918), ingenieur,
minister. Was werkzaam bij verschillende waterstaatswerken: beheer
van de Lekdijk Bovendams, bouw van de Maasbrug bij Roermond, leider
van grondboringen in het zuidelijk deel van de Zuiderzee en
verbetering van de afwatering rond Coevorden. Schreef o.m.
Memorie over den Lekdijk-Bovendams (1878). Als minister
van waterstaat bevorderde hij de afvoerverbetering van de kleine
rivieren in het oosten van ons land. Was lid van de EK en TK en
directeur van Posterijen en Telegrafie. Ref.: DB1, WG.
(vdt246)
«
zie: Dendermonde, Max
«
(Den Haag 5 april 1896 - Maarn 14 jan. 1968), archivaris,
regionaal historicus. Volgde, na zijn studie rechten te Utrecht en
Leiden, een opleiding aan de archiefschool in Den Haag. Was
werkzaam bij het RA in Overijssel, bij de gemeente Utrecht en sinds
1935 als archivaris van Rotterdam. Schreef vele artikelen over
regionale geschiedenis w.o. De oudste berichten over het
ontstaan van het eiland Rozenburg (1960) en een aantal boeken
w.o. het standaardwerk Geschiedenis van Rotterdam (3 dln.,
1940-1942; herdruk 1974-1975). Ref.: PKN, WID5-6, WWN63.
(vdt247)
«
(Utrecht 6 jan. 1890 - Leiden 12 juni 1963), ingenieur. Werkte,
na in 1915 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, tot 1919 bij
RWS in IJmuiden. Was daarna in dienst van PW van Amsterdam, van
1947 tot 1951 als directeur, en sindsdien als zelfstandig
raadgevend ingenieur. Schreef artikelen in De Ingenieur en
Polytechnisch Tijdschrift alsmede enkele monografieën w.o.
Honderd jaar Publieke Werken 1850-1950 (1950) en De
IJ-oever verbinding (1950). Ref.: PKN, WID5-6. (vdt248)
«
(Ternaard 22 sep. 1867 - De Bilt 22 dec. 1944), historicus,
archivaris. Studeerde geschiedenis in Groningen en promoveerde op
Het oude Staveren (1893). Was rijksarchivaris in Zeeland
en Utrecht. Van zijn publikaties op historisch-geografisch gebied
noemen we verder: Bijdragen tot de geschiedenis der ontginning
van het Nedersticht (1929). Ref.: EF, PKN. (vdt249)
«
(Leur 16 mei 1894 - Leeuwarden 24 juni 1948), archivaris,
regionaal historicus. Studeerde rechten in Utrecht en promoveerde
aldaar in 1921. Was sinds 1923 werkzaam bij het RA te Leeuwarden,
sinds 1938 als Rijksarchivaris van Friesland. Sinds 1935
provinciaal inspecteur van de archieven van gemeenten,
waterschappen en veenpolders in Friesland. Inventariseerde vele
archieven en schreef diverse artikelen over archief- en
grafstenenonderzoek, genealogie, heraldiek en lokale geschiedenis,
w.o. De inpoldering van de Wargaster meer en Paulus Jans
Kley (1937). Ref.: EF, PKN, WID5. (vdt250)
«
Titelblad van boek: Van landijs tot polderland: tweeduizend eeuwen Zuiderzeegebied / G.D. van der Heide. - Amsterdam : A.J.G. Strengholt N.V, 1965
(Rotterdam 6 juni 1915 - Kallenkote 18 september 2006),
archeoloog, natuurkenner. Aanvankelijk werkzaam als journalist bij
de NRC, medewerker van het Bureau Natuurbescherming van het
Ministerie van OKW en assistent van A.E. van Giffen bij het
Biologisch-Archeologisch Instituut te Groningen. Was van 1948 tot
1974 hoofd van het oudheidkundig bodemonderzoek in de
IJsselmeerpolders en beheerder van de musea Schokland en
Ketelhaven. Werkte daarna tot zijn pensionering als
adjunct-directeur en hoofd van de wetenschappelijke afdeling van
het Rijksmuseum Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Was internationaal
erkend adviseur op het gebied van scheepsarcheologie en
museumbeheer; ereburger van de gemeente Noordoostpolder. Van zijn
zeer vele publicaties noemen we: Achter de schermen (met
T. Lebret; 1944), Waterlanders en hun waterland (1946),
Aspecten van het archeologisch onderzoek in het
Zuiderzeegebied (1955), Elseviers atlas van de archeologie
der Lage Landen (1963), Van landijs tot polderland; 2000
eeuwen Zuiderzeegebied (1965) en Langs de Zuiderzee
(1989). Ref.: J.G. Berkhout e.a. Gerrit Daniël van der Heide;
vijftig jaar in touw voor natuur- en cultuurbehoud - een
vriendenboek t.g.v. zijn 70e verjaardag (1985), IBV, LW 1961
n6 p239, OLB, VK 1995 n2 p8, WWN1, HM 2006 n4. (vdt250a)
«
(Zwolle 28 feb. 1861 - Gerolstein 22 juli 1914), onderwijzer,
natuurkenner. Was van 1882 tot 1924 onderwijzer te Amsterdam, later
schoolhoofd. Was, met J.P. Thijsse, in 1896 oprichter van het
tijdschrift De Levende Natuur en speelde een belangrijke
rol in de natuurbeleving in ons land. Was in 1901 mede-oprichter
van de Ned. Ornithologische Vereniging en de KNNV. Van zijn
publicaties noemen we het plaatjesalbum In sloot en plas
(met J.P. Thijsse; 1895) en Uit ons Krijtland (1911), een
beschrijving van water en natuur in het Geuldal. Hij overleed
tijdens een geologische excursie in Duitsland. De Heimansgroeve bij
Epen is naar hem genoemd. Zie ook: J.B. Bernink, H.W. Heinsius.
Ref.: F.I. Brouwer Leven en werken van E. Heimans (1958),
BWN5, IBV, TJ, WP7.(vdt251)
«
(zoon van E.Heimans; Amsterdam 29 mei 1889 - Amsterdam 30 dec.
1978), plantkundige, natuurbeschermer. Studeerde plant- en
dierkunde en promoveerde in 1935 cum laude aan de UvA. Zette het
werk van zijn vader voort en was sinds 1936 privaatdocent in de
plantengeografie. Overleefde Theresiënstadt en was van 1946 tot
1959 hoogleraar in de plantkunde en genetica te Amsterdam. Schreef
o.m. Het Geuldal en Zuid-Limburg (1931) en Historische
plantengeografie van Nederland (1938). Ref.: BJ79, BWN5,
Natura 1980 p329-361, WID5-6. (vdt252)
«
(Amsterdam 14 nov. 1863 - Leersum 16 feb. 1939; begraven te
Amsterdam), bioloog, leraar. Studeerde biologie en promoveerde aan
de UvA. Was leraar natuurlijke historie aan een HBS in Amsterdam.
Was mede-oprichter, van 1901 tot 1907 voorzitter en sinds 1923
erelid van de KNNV. Stelde, met E. Heimans en J.P. Thijsse,
Geïllustreerde Flora van Nederland (1899) samen en
schreef, met J. Jaspers Het Strandboekje (1913). Ref.: TJ.
(vdt253)
«
(roepnaam: Willy; Münster 12 juni 1916 - Harfsen 5 apr. 1998),
journalist. Was jarenlang journalist van het Deventer
Dagblad. Schreef daarnaast enkele boeken: Portret van de
IJssel (1981), Vijftig eeuwen volk langs de IJssel
(1982) en De Twenthekanalen; succes van een mislukking
(met L. Lensen; 1984). Heitling werd geëerd met het Verzetskruis.
(vdt254)
«
Heldring, Otto Gerhard
(Zevenaar 17 mei 1804 - Marienbad 11 juli 1876; begraven te
Zetten), predikant, socioloog. Na zijn studie theologie in Utrecht
werd hij predikant te Hemmen. Was een fervent wandelaar en
veelzijdig geïnteresseerd man. Schreef allerlei artikelen en boeken
w.o. De Anna Paulownapolder (1847) die in dat jaar gereed
was gekomen. Verwierf grote bekendheid door de naar hem genoemde
Heldringgestichten te Zetten. Ref.: BLP, NBW4, NGL, J.M. Romein
De lage landen bij de zee (1934), SGN, WP7. (vdt255)
«
(Utrecht 25 okt. 1917 - Wageningen 24 mei 2009), ingenieur,
hoogleraar. Werkte, na in 1940 te zijn afgestudeerd aan de LHS in
Wageningen, tot 1942 bij de Cultuurtechnische Dienst in Utrecht en
tot 1947 bij de PWS in Zuid-Holland. Was van 1947 tot 1981
hoogleraar cultuurtechniek aan de LHS in Wageningen. Publiceerde
van 1947 tot 1988 diverse artikelen over waterhuishouding in
binnen- en buitenland en na zijn pensionering: De vlotvaart op
de Rijn (1994). Ref.: WID5, WWN1. (vdt255a)
«
(zoon van N.H.Henket; Ambarawa NOI 19 nov. 1863 - Utrecht 1 juli
1902), ingenieur. Werkte, na na zijn opleiding aan de PS te Delft,
bij RWS te Maassluis, van 1890 tot 1898 te Leeuwarden en daarna in
Den Haag. Schreef voor het gedenkboek dat in 1897 werd uitgegeven
bij het vijftigjarig bestaan van het KIVI: Haven te Harlingen
en vaarwater over de ondiepte De Pollen, Havens te Stavoren en
Lemmer en Duinen en oeverwerken op Ameland. (vdt256)
«
Henket, Nicolaas Hubert
(Sint Pieter 7 nov. 1829 - Den Haag 12 mei 1904),
waterbouwkundige, hoogleraar. Deed, na zijn opleiding tot
landmeter, veel praktijkervaring op bij verschillende
waterstaatswerken. Assisteerde T.J. Stieltjes bij de aanleg van
spoorwegen op Java. Deze droeg hem, ondanks zijn beperkte
opleiding, voor als hoogleraar aan de PS te Delft, waarvan hij van
1895 tot 1897 directeur was. Schreef o.m. Kanaal van Amsterdam
door de Geldersche Vallei naar de Waal (1879). Redigeerde, met
C.M. Schols en J.M. Telders, het handboek Waterbouwkunde
(1885). Zie ook: C.J. van Doorn. Ref.: DLW, ING 1905 p438,
NBW6. (vdt257)
«
Titelblad van brochure: Domme golven: ingenieurskunst en keileem: eenige beschouwingen over de Zuiderzeewerken / door E. den Herder.- 2e dr. - Harderwijk: Mooij, 1929
(Harderwijk 27 juli 1876 - Harderwijk 3 sep. 1950), fabrikant,
schilder. Was fabrikant van visproducten te Harderwijk. Kreeg
landelijke bekendheid als tegenstander van de afsluiting van de
Zuiderzee. Vervaardigde in 1944 circa honderd schilderijen van de
vergane glorie, die deels als illustraties gebruikt zijn in zijn
twee boeken: Brak water (1944) en Goud der Zee
(1948). Ref.: NBK, WG, ZZP. (vdt258)
«
Titelblad van: Bespiegeling over Neerlandsch waternood tusschen den 14den en 15den nov. MDCCLXXV / door J.H. Hering. - Amsterdam: Wed. Loveringh en Allart, 1776
(Rotterdam 11 dec. 1731 - Amsterdam ca. 1790), historicus.
Autodidact die schreef over diverse onderwerpen w.o. enige
biografiëen en Bespiegeling over Neêrlandsch waternood tusschen
den 14den en 15den November 1775 (1776) en Bespiegeling
over Neêrlandsch waternood tusschen den 21sten en 22sten November
1776 (1778). Ref.: NBW8. (vdt259)
«
(roepnaam: Max; Akkrum 31 juli 1922 - Bilthoven 11 jan. 2009),
sociaal- en historisch geograaf, hoogleraar. Werkte, na zijn studie
sociale geografie aan de Universiteit van Utrecht (1947-1951),
daarna onder meer aan de VU in Amsterdam. Promoveerde daar in 1962
op de Ierse grens als culturele scheidslijn en was daar van 1962
tot 1984 hoogleraar sociale geografie. Publiceerde vooral over
regionale geografie en schreef biografieën van enkele geografen.
Debuteerde met: De Scheene en haar schilder (D.K.
Koopmans; 1941) en na de Februari-ramp: De watersnood op
Schouwen Duiveland (1953). Ref.: HGT 1984 n2 p57, Wikipedia.
(vdt259a)
«
(Harlingen 15 dec. 1868 - Amersfoort 28 aug. 1962), historicus,
publicist. Studeerde geschiedenis en geografie te Amsterdam en
Leiden, maar was verder ambteloos. Bekend als maker van de
Grote Historische Schoolatlas (1896) en schrijver van
diverse historisch-geografische artikelen en boeken w.o. De
Nederlandsche wateren en plaatsen in den Romeinschen tijd
(1938). Ref.: BJ63, EF, WID5-6. (vdt260)
«
(roepnaam: Han; Den Haag 5 juli 1923 - Gouda 1 juli 2007) was
van 1948 tot 1983 voorlichter bij het MVW en hoofdredacteur van het
tijdschrift Land en Water (1957-1977). Schreef diverse
tijdschriftartikelen en brochures zoals De waterweg in
Nederland (1957). (vdt260a)
«
(Den Bosch 30 oct. 1854 - Den Haag 25 jan. 1903), ingenieur. Na
zijn studie aan de PS te Delft was hij tot 1883 in dienst van de
PWS van Noord-Brabant betrokken bij de verlegging van de Maasmond.
Later, bij de Algemene Dienst van de waterstaat in Den Haag werkte
hij aan de verbetering van de waterhuishouding in oostelijk
Noord-Brabant en aan de bouw van de vissershaven te Scheveningen.
Won diverse technische prijsvragen. Was redacteur van De
Ingenieur en publiceerde daarin diverse artikelen w.o. De
opheffing der gemeenschap van Waal en Maas te Heerewaarden
(1888) en De Zuiderzee en het tijdperk der Middeleeuwen
(1892). Ref.: ING 1903 7 maart, NBW4. (vdt261)
«
(Den Bosch 13 aug. 1716 - Den Bosch 1779), wethouder, regionaal
historicus. Was schepen en raad alsmede griffier van de leen- en
tolkamer van Den Bosch. Verrichtte daarnaast uitvoerig onderzoek
naar de geschiedenis van zijn woonplaats en omgeving. Schreef o.m.
het zeer omvangrijke werk Historie der Stad en Meyerye van
's-Hertogenbosch, alsmede van de voornaamste daaden der Hertogen
van Brabant (4 dln., 1776-1778; in 1974 herdrukt). Ref.: BB3,
NBW8. (vdt262)
«
(Bogor NOI 27 feb. 1888 - Den Haag 5 okt. 1986), ingenieur.
Werkte, nadat hij in 1911 was afgestudeerd aan de TH in Delft, tot
1917 bij de spoorwegen in NOI. Was daarna in dienst van RWS te
Roermond, IJmuiden en van 1938 tot 1945 werkzaam als HID in de
directie Utrecht en in 1943 als waarnemend DG van RWS. Was
tenslotte DG van de Rijksgebouwendienst in Den Haag. Schreef
artikelen in De Ingenieur w.o. Het kanaal van Wessem
naar Nederweert (met J.H. van der Burgt; 1928). Ref.: PKN,
WID5-6. (vdt263)
«
Voorkant van: Rapporten en mededelingen van den Rijkswaterstaat No. 6 . - 's-Gravenhage: Algemeene Landsdrukkerij, 1916
(Leiden 16 jan. 1879 - Den Haag 1 juni 1966), ingenieur. Was, na
zijn studie aan de PS te Delft, in dienst van RWS werkzaam te
Brielle, Den Haag, Breda en Zutphen. Sinds 1926 hoofdingenieur van
de Algemene Dienst van RWS in Den Haag. Schreef naar aanleiding van
de zware stormvloed: Aanteekeningen omtrent de gevolgen van
zware stormvloeden tusschen 1500 en 1825 voorgekomen, van de dijken
en polders langs het zuidwestelijk deel der Zuiderzee (1916).
Was lid van de Centrale Taalcommissie voor de Techniek. Ref.: ING
1966 pA365, WID5-6. (vdt264)
«
(roepnaam: Cor; Winterswijk 7 aug. 1902 - Enschede 12 dec.
1982), archeoloog. Studeerde in Groningen taal- en letterkunde met
als bijvak archeologie bij prof. A.E. van Giffen. Verrichtte
onderzoek naar de prehistorie, landbouwgeschiedenis en
klederdrachten van Noordoost-Nederland. Zijn verdienste voor de
archeologie was vooral de toepassing van stuifmeelkorrelonderzoek
als dateringsmethode. Verzorgde de 3e en volgende drukken van
Het Land van de Dinkel van W.H.Dingeldein (1959 e.v.). Van
zijn eigen publikaties noemen we De voorgeschiedenis van
Nederland (1951). Ref.: OB3. (vdt265)
«
(roepnaam: Dick; Amsterdam 29 mei 1927 - Amsterdam 4 mei 1987),
bioloog, schrijver. Studeerde biologie en promoveerde in 1959 aan
de UvA. Was conservator van het Zoölogisch Museum te Amsterdam.
Schreef vele publicaties op zijn vakgebied, daarnaast bijzondere
gedichten en essays. Was bijzonder actief op het gebied van natuur-
en milieubehoud, getuige zijn zeer vele publicaties en o.m. zijn
inleiding op Op de grens van land en zee (door J. van de
Kam; 1969). Ref.: BJ88, Hakoerier 1981 n4 p4, LML. LNA,
LNL, WP7. (vdt266)
«
(Den Haag 8 aug. 1834 - Den Haag 16 nov. 1897), archivaris.
Begon als klerk en beëindigde zijn loopbaan als
commies-chartermeester bij het ARA in Den Haag, waar hij een
belangrijk aandeel had in de organisatie en inventarisatie. Had
grote belangstelling voor de geografische gesteldheid van de Rijn-
en Maasdelta, getuige o.m. zijn De Maas en de dijken van den
Zuid-Hollandsche Waard in 1421 (1885). Ref.: NBW3.
(vdt267)
«
Eerste pagina van: De kanalen Groningen-Lemmer en Groningen Harlingen / door E. van Hinte. - Leiden: Boekhandel en Drukkerij voorh.: E.J. Brill, [1940.] . - Overdr. uit: Tijdschrift van het Koninklijk Nederl. Aardrijkskundig Genootschap. - LVIII (1940) 2. - p. 161 - 172
(Dokkum 23 maart 1894 - Haarlem 25 april 1945), sociograaf.
Studeerde sociografie en promoveerde te Groningen op Sociale en
economische geografie van Harlingen (1936). Schreef
demografische en sociaal-geografische artikelen w.o.
Kanalisatie van den Gelderschen IJssel (1939), De
kanalen Groningen-Lemmer en Groningen-Harlingen (1940) en het
opmerkelijke boek Stad en Land (2e dr., 1946). Ref.: EF.
(vdt268)
«
Hissink, David Jacobus
(Kampen 22 okt. 1874 - Haren 17 jan. 1956), bodemscheikundige.
Werkte, na in 1899 te zijn afgestudeerd en gepromoveerd in de
scheikunde aan de UvA, korte tijd als leraar scheikunde in Den
Helder. Was tot 1916 werkzaam bij verschillende landbouwkundige
proefstations, daarna tot 1939 directeur van het Bodemkundig
Instituut te Groningen. Schreef zeer vele artikelen in
bodemkundige, chemische en landbouwkundige tijdschriften en
rapporten zoals De bodemkundige gesteldheid van de
achtereenvolgens ingedijkte Dollardpolders (1935) en De
humus- en stikstofgehalten van de ingepolderde gronden in de
voormalige Zuiderzee (1954). Ref.: WID5-6. (vdt269)
«
(Sittard 14 apr. 1850 - Zeist 7 okt. 1938), artillerie-officier,
regionaal historicus. Kwam als jong officier ongelukkig van zijn
paard te vallen. Wijdde zich sindsdien aan de regionale
geschiedenis en werd in 1894 directeur van het Provinciaal
Overijssels Museum te Zwolle. Was daarnaast archivaris te Hattem en
had een actieve rol in de monumentenzorg. Verhuisde naar Arnhem,
kocht kasteel Doorwerth en bracht er het door hem opgerichte
Koninklijk Leger- en Wapenmuseum in onder. Was mede-oprichter van
het Nederlands Openlucht Museum. Werd op tachtigjarige leeftijd
bevorderd tot generaal-majoor titulair wegens genoemde verdiensten.
Publiceerde veel over historische, militaire en technische
onderwerpen zoals Eenvoudige verklaring van waterstaatkundige
benamingen, vooral met het oog op militaire inundatiën (1879).
Ref.: BWN2, PKN. (vdt270)
«
(Giethoorn 16 juni 1851 - Haarlem 27 feb. 1914), zoöloog,
leraar. Studeerde zoölogie en promoveerde in 1875 te Leiden. Was
leraar natuurlijke historie te Leiden. Werd in 1888 benoemd tot
rijksadviseur in visserijzaken en was tevens directeur van het
Zoölogisch Station in Den Helder. Was vanaf 1912 directeur van het
Rijksinstituut voor Visserijonderzoek. Schreef veel over
schaaldieren en de visserij op de voormalige Zuiderzee, w.o. De
invloed der afsluiting en droogmaking op de visscherij in de
Zuiderzee (1890). Ref.: BWN1. (vdt271)
«
(Rotterdam 28 mei 1900 - Hardenberg 22 mei 1979), archivaris,
historisch-geograaf. Volgde, na in 1924 in de rechten te zijn
afgestudeerd aan de UvA, de opleiding voor hoger archiefambtenaar
aan het ARA in Den Haag. Werd in 1929 aangesteld als bibliothecaris
van de Stads- of Athenaeumbibliotheek in Deventer. Was daarnaast
gemeentearchivaris en conservator van het stadshistorisch museum De
Waag. Was mede-oprichter van de Historische Vereniging voor
Zuid-Holland. Bezat grote kennis op het gebied van de geschiedenis
der Nederlandse cartografie, inventariseerde vele archieven en
schreef een aantal biografieën van geografen en cartografen. Van
zijn vele publicaties noemen we: Gids voor de archieven van
gemeenten en waterschappen (1942), Repertorium van
inventarissen van Nederlandse archieven (met W.J. Formsma;
1947), Jacob van Deventer, keizerlijk-koninklijk geograaf
(1953), Eilanden en waarden in kaart en beeld: de groei van
Zuid-Hollands rivierengebied (1953) en Johannes Keuning
1881-1957 (1957). Ref.: BWN2, WID5-6. (vdt272)
«
(Bandjermasin NOI 15 nov. 1858 - Nijmegen 16 jan. 1928),
ingenieur. Werkte, na in 1882 te zijn afgestudeerd aan de PS te
Delft, bij de PWS van Drenthe waar hem in 1910 eervol ontslag werd
verleend als ingenieur-chef. Van hem is slechts bekend: Rapport
betreffende onderzoek naar de middelen tot verbetering van den
waterafvoer bij Zwartsluis naar zee (met A. Déking Dura;
1898). Ref.: ING 1928 n5 pA27. (vdt273)
«
(Delft 2 sep. 1842 - Den Haag 16 mei 1925), ingenieur. Werkte,
nadat hij in 1863 was afgestudeerd aan de KA in Delft, bij RWS
achtereenvolgens in Den Haag, Den Bosch, Den Haag, Middelburg,
Veere, Vlissingen, Den Bosch, Utrecht, Gorinchem en Zutphen.
Ontving in 1876 de Zilveren Watersnoodmedaille. Was sinds de
oprichting in 1881 hoofdingenieur belast met de leiding van de PW
in Zeeland te Middelburg. Schreef het zeer uitvoerige standaardwerk
De oeververdediging in Zeeland sedert 1860 (12 dln.,
1884-1908). Ref.: M.P. de Bruin Waken en bewaren (1981),
EZ, ING 1925 n39 p830-832. (vdt274)
«
(roepnaam: Coba; Antwerpen 21 sep. 1886 - Maastricht 16 okt.
1964), geomorfologe, hoogleraar. Studeerde wis- en natuurkunde en
promoveerde te Utrecht op Beiträge zur Hydrographie der
Ardennen (1916). Was verbonden aan het Geografisch Instituut
te Utrecht, achtereenvolgens als assistent, hoofdassistent, lector
en directeur. Sinds 1946 hoogleraar in de fysische geografie en
geomorfologie aan de Universiteit van Utrecht. Schreef talrijke
artikelen op fysisch-geografisch gebied, Geomorfologie
(in: HGN dl.1, 1949) en De geomorfologische landschappen van
Nederland (1959). Zie ook: J.I.S. Zonneveld. Ref.: BJ65,
WID5-6, WWN63. (vdt275)
«
(Colijnsplaat 7 mei 1832 - Tholen 29 mrt. 1922), onderwijzer,
opzichter, regionaal historicus. Werkte vanaf zijn dertiende als
dijkwerker, sinds 1855 als onderwijzer te Goes en Scherpenisse.
Werd in 1859 aangesteld als werkbaas bij de calamiteuze polders en
was van 1864 tot 1898 opzichter bij RWS te Ellewoutsdijk, Sint
Maartensdijk en Tholen. Maakte uitvoerige studie van de regionale
historische geografie en waterstaatsontwikkeling en schreef
daarover: Geschied- en waterstaatkundige beschrijving van de
waterschappen of polders van het eiland Tholen (1879),
Geschied- en waterstaatkundige beschrijving van het in de 16e
eeuw geheel overstroomde eiland Noord-Beveland (1880),
Geschiedkundige beschrijving van Tholen en omstreken
(1897; herdrukt in 1975) en De Honte en het eiland Borssele,
alsmede ene verhandeling over de heerlijkheden, ambachten of leenen
in Zeeland (1907). Ref.: EZ, R.A. Renes Adriaan
Hollestelle 1832-1922 (1976). (vdt276)
«
(Echten 22 feb. 1816 - Assen 9 feb. 1900), jurist. Vestigde
zich, na zijn rechtenstudie in Groningen, als notaris en advocaat
te Assen. Hield zich vooral bezig met mogelijkheden van
kanaalaanleg door Drenthe en schreef o.m. Ontwerp tot
oprichting eener Kanaal-Maatschappij tot verbinding van de
Zuiderzee met de Eems. Als directeur van de N.V. Drentsche
Kanaal Maatschappij ijverde hij voor verlenging van de Hoogeveense
Vaart tot in de Emmervenen. Ref.: DB3, NBW9. (vdt277)
«
(Schiedam 3 dec. 1873 - Nijmegen 4 mrt. 1951), archeoloog.
Studeerde klassieke letteren en archeologie en promoveerde te
Leiden. Was sinds 1904 verbonden aan het Rijksmuseum van Oudheden
te Leiden achtereenvolgens als conservator, onderdirecteur en sinds
1919 directeur. Daarnaast was hij lector in de prehistorie en
Romeinse archeologie te Leiden en directeur van het Rijksmuseum
G.M. Kam te Nijmegen. Schreef o.m. De Hunneschans bij het
Uddelermeer (1909), Nederlands vroegste geschiedenis
(1918), De Linge (1921) en Opgravingen van
Dorestad (1930). Ref.: BJ52, J.H.F. Bloemers Verleden
land (1981), W.C. Braat In memoriam J.H. Holwerda
(1952), BWN1, NGL, WID5, WP7. (vdt278)
«
(Zaandijk 24 nov. 1864 - Zaandijk 22 aug. 1955), volkskundige.
Studeerde twee jaar aardrijkskunde aan de UvA en was van 1894 tot
1932 firmant van een boekhoudkantoor in Koog aan de Zaan. Was sinds
1922 conservator van de Zaanlandse Oudheidkamer. Schreef
toneelstukken en publiceerde over heraldiek, genealogie en
regionale historische geografie zoals De overstroming in de
Zaanlanden in 1825 (1916), De watersnood van 1916
(1917) en De kaart van het Hoogheemraadschap der Uitwaterende
Sluizen in Kennemerland en Westfriesland (1921). Ref.: EZS,
WID5. (vdt279)
«
(Aardenburg 27 dec. 1896 - Goes 30 okt. 1990), waterbouwkundige,
leraar. Begon zijn loopbaan als opzichter en sinds 1919 als
technisch ambtenaar van RWS bij werken aan het Wilhelminakanaal.
Was van 1927 tot 1937 directeur van de Zeeuwsche Beton
Maatschappij. In 1922 mede-oprichter en leraar van het Zeeuwsch
Technisch Instituut te Goes; van 1937 tot 1974 eigenaar en
directeur hiervan. Was van 1952 tot 1961 tevens leraar civiele
techniek aan de HTS te Vlissingen. Bewerkte, van de 7e druk (1968)
van het leerboek Waterbouwkunde door M.B.N. Bolderman en
A.C.W. Dwars, de delen 3 (met P.J. Colijn) en 5 (met P. Barentsen).
Ref.: E.P. de Vries. Vijftig jaar bij de tijd; geschiedenis van
de HTS-Vlissingen 1947-1997 (1997). (vdt280)
«
(Renesse 29 sep. 1842 - Leiden 21 sep. 1924), ingenieur.
Doorliep, na zijn studie aan de KA te Delft, alle rangen bij de
waterstaat t/m die van IG van de RWS. Werkte aan de aanleg en
verbetering van vaarwegen zoals de Zuid- Willemsvaart, de haven van
Hoorn en de toegang tot Enkhuizen. Schreef o.m. De uitgevoerde
werken tot verbetering van het Krabbersgat bij Enkhuizen
(1883). Ref.: ING 1924 p762. (vdt281)
«
(Delft 23 nov. 1878 - Deventer 31 aug. 1956), leraar, bioloog.
Was, na zijn opleiding aan de Normaalschool in Den Haag, enige
jaren onderwijzer en in 1901 mede-oprichter van de Haagsche
Natuurhistorische Vereniging. Studeerde aan de RU te Utrecht en
promoveerde in 1934 op een hydrobiologisch onderwerp. Redigeerde
van 1911 tot 1914 het tijdschrift Natura en werd in 1933
benoemd als erelid van de KNNV. Was vele jaren leraar aan de
Rijkskweekschool te Deventer, waar hij de vakken plant- en
dierkunde, natuur- en scheikunde en aardrijkskunde doceerde.
Schreef o.m. voor het Handboek der geografie van Nederland
het hoofdstuk Biogeografie (1951). Ref.: HGN dl.6 pVI, TJ.
(vdt282)
«
(roepnaam: Ed; Den Haag 9 mrt. 1910 - Amsterdam 1 mrt. 1970),
dichter, schrijver. Studeerde korte tijd in Leiden, werkte daarna
als journalist bij De Tijd en later bij het Algemeen
Handelsblad. Ontwikkelde zich als schrijver tot romantisch
vertolker van het realisme en behoorde tot de Amsterdamse School.
Naast poëzie en romans schreef hij ook over actuele gebeurtenissen
zoals in Dit is Walcheren (1945) dat hij, met Jef Last en
A. den Doolaard, publiceerde nadat genoemd eiland in 1944 onder
water was gezet. Was na de bevrijding redacteur van Vrij
Nederland. Van zijn toneelwerk kreeg Het Water (1957)
de Van der Vies-prijs. Ref.: BJ71, BWN3, EW, HLR, HSE, LML, LNA,
LNL, PVL, WID5-6, WP7, WWN63. (vdt283)
«
van der Houven van Oordt, Hendrik Christiaan
(Rotterdam 11 jan. 1837 - Arnhem 15 apr. 1901), dijkgraaf. Was,
naast zijn functie als dijkgraaf van de Veluwe en lid van GS van
Gelderland, tot zijn dood secretaris van de in 1886 opgerichte
Zuiderzeevereniging. Zijn laatste werk, de tweede druk van De
economische beteekenis van de afsluiting en drooglegging der
Zuiderzee (1901; 1e dr. 1898), werd voltooid door G.
Vissering. Ref.: WG, ZJI. (vdt284)
«
(Leiden 16 juni 1839 - Haarlem 10 apr. 1888), ingenieur. Werkte,
na in 1861 te zijn afgestudeerd aan de KA te Delft, in
verschillende functies bij de waterstaat. Was vanaf 1867 belast met
rijks- en provinciale waterstaatstaken in Utrecht en sinds 1887
tevens in Noord-Holland. Schreef o.m. De afsnijding van de bogt
van den Neder-Rijn boven Wijk bij Duurstede door den uiterwaard De
Roodvoet in 1868-1874 (1875) en Verslag der
Staatscommissie tot het instellen van een onderzoek omtrent de
verbetering van het Zwolsche Diep (1879). Ref.: ING 1888 14
april, NBW6. (vdt285)
«
Plan voor inpoldering Zuiderzee door Hüet, 1875 en het Plan voor inpoldering Zuiderzee door Hüet, 1880 uit: Het Zuiderzeeproject : drie eeuwen inspiratie voor plannenmakers / samenst. Rijksdienst voor de IJsselmeepolders. - Lelystad: Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, 1976. Drooglegging Zuiderzee, Plan Hüet 1862-1875.
(Amsterdam 15 apr. 1836 - Delft 5 juni 1899), ingenieur,
hoogleraar. Begon zijn loopbaan als arbeider in een machinefabriek,
volgde praktijkonderwijs en behaalde na twee jaar studie aan de KA
te Delft het diploma civiel ingenieur. Deed veel praktijkervaring
op in Engeland en ontwierp plannen voor verschillende belangrijke
waterbouwkundige projecten in Nederland. Leraar, later hoogleraar
aan de PS te Delft. Van zijn talrijke publikaties noemen we
Ontwerp eener vrije verbinding van Neêrlands hoofdstad met de
Noordzee (1863) en Landaanwinning in de Zuiderzee
(1890). Zie ook: H.F. Fijnje van Salverda. Ref.: DLW, GPZ, NBW6,
WND. (vdt286)
«
Titelblad van boek: Dijken langs zee, rivieren en kanalen: Kaden om polders, droogmakerijen enz.: samenstelling, aanleg, onderhoud / T. Huitema. - Amsterdam ; Antwerpen: N.V. Uitgevers-maatschappij Kosmos, 1947
(Holwerd gem. Westdongeradeel 22 feb. 1872 - Zeist 9 dec. 1974),
waterbouwkundige, redacteur. Werkte van 1892 tot 1927 bij RWS,
eerst als opzichter op Schokland, later als dienstkringhoofd te
Vreeswijk, Winschoten, Hansweert, Sneek en Den Haag. Was na
pensionering adviseur van de straatklinkerindustrie. Was in 1915
mede-oprichter en tot 1955 redacteur en zeer productief schrijver
van OTAR. Schreef daarnaast het alom erkende standaardwerk
Dijken (1947) en voor het KNAG het artikel Het
ontstaan van de terpen in het noorden van ons land en het opslibben
van het zeekleigebied waarin men de terpen aantreft (1958). De
Vereniging van Waterstaatkundige Ambtenaren van de RWS benoemde hem
in 1927 tot erevoorzitter. Ref.: OTAR 1967 n8 p199-200,
OTAR 1972 n2 p36, OTAR 1974 n12 p426-427.
(vdt287)
«
(Cadzand 12 dec. 1864 - Cadzand 20 nov. 1940), archivaris.
Studeerde letteren en promoveerde te Leiden bij R. Fruin. Was
gemeentearchivaris te Deventer, chartermeester bij het RA te
Utrecht en archivaris bij het ARA te Den Haag. Publiceerde vele
archiefinventarissen, schreef over de geschiedenis van
Zeeuws-Vlaanderen en gaf, met A.G. Verhoeven, het Tractaet van
Dijckagie door Andries Vierlingh uit (1920; heruitgave 1973).
Ref.: BWN1, EZ, P.A. Meilink J.de Hullu (1940).
(vdt288)
«