Home + Archief + Waterschrijvers
(roepnaam: Kees; Giessendam 13 juni 1899 - Giessendam 31 dec. 1976), romanschrijver. Begon als hoepmaker, schreef na 1920 korte verhalen voor De Rotterdammer, Timotheus en De Spiegel. Sinds 1934 schrijver van dichterlijke, humoristisch getinte romans over de streekgeschiedenis en het leven en werk in - en om de Alblasserwaard. Schreef o.m. Een lied van den Biesbosch (1944), Moddergeuzen (over het leven aan boord van de baggermolens; 1950), In de greep van de waterwolf (1953), Waterpolitie (1957), De ruige Biesbosch (1979) en de fotoboeken Langs Merwede en Giessen (1962) en Tussen Noord en Lek, het land van de molens (1963). Ref.: A.C.Baardman C.Baardman, de schrijver en zijn werk (1997). (vdt011)
«
Eerste pagina van artikel: Het dijkherstel onder leiding van de Staten van Holland / C. Baars. – TIJD In: Waterschapsbelangen. – GEG: 74 (1989) 6 (22 maart). – p. 196-204
(Simonshaven gem. Geervliet 22 sep. 1909 - Wageningen 14 feb. 1994), bosbouwkundig ingenieur, waterstaatshistoricus. Werkte, na in 1935 te zijn afgestudeerd in de Nederlandse en koloniale bosbouw aan de LHS te Wageningen, van 1937 tot 1951 als houtvester in NOI. Was daarna werkzaam bij het Centraal Inst. voor Landbouwkundig Onderzoek te Wageningen en van 1969 tot 1974 bij de LHS als medewerker van de afdeling Weg- en Waterbouwkunde en Irrigatie. Verrichtte veel historisch-geografisch onderzoek en promoveerde in 1973 te Wageningen op: De geschiedenis van de landbouw in de Beijerlanden. Schreef twintig artikelen over o.m. de geschiedenis van bedijking en landaanwinning zoals: Bedijking van het Deltagebied (16e-17e eeuw) (1977), De paalwormfurie van 1731/32 en de schade aan de Westfriese Zeedijk (1988-1990) en Het dijkherstel onder leiding van de Staten van Holland (1989). Ref.: C. en J.Baars De familie Baars uit Oud-Beijerland in de Hoeksche Waard 1590-1995, 1995. (vdt012)
«
Bakhuizen van den Brink, Reinier Cornelis
(Amsterdam 28 feb. 1810 - Den Haag 15 juli 1865), archivaris, letterkundige. Studeerde theologie en letteren in Amsterdam en promoveerde in 1842 in Leiden. Was mede-oprichter van De Gids. Werkte enige jaren in buitenlandse archieven en was van 1854 tot zijn dood algemeen rijksarchivaris. Heeft de historische wetenschap vernieuwd en op hoger peil gebracht. Naast zijn voortreffelijke werken over de algemene geschiedenis van ons land noemen we het artikel Voorstel aangaande eene geschiedenis van den Nederlandschen waterstaat (1856). Zie ook: L.Ph.C.van den Bergh. Ref.: HSE, LNL, NBW7, WP7. (vdt013)
«
(Rotterdam 21 juli 1906 - Huizen 7 april 1969), cartograaf, fysisch-geograaf, hoogleraar. Studeerde fysische geografie en geologie te Utrecht, Frankfurt am Main en Delft; promoveerde in de wis- en natuurkunde te Utrecht. Was leraar te Breda, later hoogleraar in de fysische geografie aan de UvA en directeur van het Fysisch Geografisch Laboratorium aldaar. Schreef o.m. Morfologisch onderzoek van Barradeel en zijn betekenis voor het inzicht in de subatlantische transgressie en het verspreidingsgebied der terpen (1949) en Opmerkingen over de betekenis van de fysische geografie en de bodemkunde voor de historische geografie van het Nederlandse kustgebied (1958). Schreef daarnaast een aantal biografieën. Ref.: BJ70, HJ, WID5-6. (vdt014)
«
(roepnaam: Piet; Rotterdam 10 aug. 1897 - Amsterdam 1 april 1960), journalist, schrijver. Begon zijn loopbaan als onderwijzer maar werd weldra journalist, eerst bij De Telegraaf, later bij Het Volk, Het Vrije Volk en Elseviers Weekblad. Schreef, in vertellende trant met veel sociaal gevoel, boeken over ons land en volk zoals Holland, ze zeggen je bent maar zoo klein (1941), Storm op de kust (1942) en Wij en het water (4 dln.). Ref.: BJ61, EW, LML, LNA, LNL, WID5-6, WP7. (vdt015)
«
(roepnaam: Willem; Dubbeldam 15 juli 1890 - Den Haag 14 jan. 1984), commercieel adviseur, publicist. Studeerde rechten en promoveerde in Leiden. Was in dienst van de Kon. Hollandsche Lloyd in Zuid Amerika. Behartigde internationale scheepvaart- en handelsbelangen in Spaans- en Portugeestalige landen. Reeds vanaf 1913 zeer productief als schrijver van boeken op economisch-geografisch en cultuurhistorisch gebied. Voorts over ontginnings-, landinrichtings- en werkverschaffingsprojecten in de jaren dertig, zoals Het werkende land; opbouw van Nederland in moeilijke tijden (1936) en De Gulden Spade (gedenkboek 50 jaar Ned. Heidemij.; 1937). Ref.: WID5-6, WWN63. (vdt016)
«
(roepnaam: Jaap; Oosterleek gem. Wijdenes 29 jan. 1912 - Amsterdam 10 sep. 1995), journalist, schrijver. Was sinds 1935 werkzaam als journalist bij het Algemeen Handelsblad en sinds 1970 bij NRC Handelsblad. Schreef daarnaast een aantal boeken met toeristische informatie over het Nederlandse landschap en monumenten w.o. Kijk op molens (1979), Shell-journaal van Nederlandse bruggen (1980), Nederland van water tot land (1981) en Onze havens (1985). Ref.: WWN1. (vdt017)
«
(Rotterdam 18 april 1875 - Wageningen 6 febr. 1933), geoloog, hoogleraar, natuurbeschermer. Leraar, later hoogleraar te Wageningen; grondlegger van de agrogeologie. Waarschuwde voor de teloorgang van het landschap door grootschalige ontginning en ijverde voor het behoud van natuurhistorisch en geologisch karakteristieke landschappen. Schreef o.m. De bodem van Nederland (2 dln., 1907-1927), de biografie Winand Carel Hugo Staring en zijn betekenis voor de geologie van ons vaderland (1908) en, met Jac.P.Thijsse, Het eiland Griend in 1912 (1913). Zie ook: C.H.Edelman. Ref.: HGT 1990 n2 p48-53, ING 1933 n19 pA169, WP7. (vdt018)
«
(Hilversum 9 okt. 1906 - Heemstede 1 feb. 1996), entomoloog, hoogleraar. Studeerde in 1929 als bioloog af aan de UvA en promoveerde aldaar in 1932 in de zoölogie. Was van 1932 tot 1970 werkzaam bij het Zoölogisch Laboratorium van de UvA, daarna als hoogleraar in de algemene dierkunde. Geïnspireerd door de natuur rond Kampen, waar hij zijn jeugd doorbracht, schreef hij samen met oud-studiegenoot en collega-entomoloog G.Kruseman het bekende boek De glorie van ons polderland (1938). Ref.: Bijdragen tot de dierkunde 1977 n2. (vdt019)
«
(Ritthem 11 febr. 1902 - Serooskerke 24 okt. 1987), waterbouwkundige. Was werkzaam bij RWS in Haarlem en redactielid van het tijdschrift OTAR. Schreef daarin o.m.: De zeedijk van zijn ontstaan tot het jaar 1730 (1961), De zeedijk van 1730 tot 1900 (1962) en Hadden de Zeeuwse bergjes een waterbouwkundige dan wel militaire betekenis? (1973). Bewerkte het tweede deel van de 7e druk (1968) van het leerboek Waterbouwkunde door M.B.N.Bolderman en A.W.C.Dwars. Ref.: OTAR 1988 n6 p206. (vdt020)
«
(roepnaam: Mart; Gorinchem 30 juli 1691 - Gorinchem 17 jan. 1775), burgemeester. Heeft zich als burgemeester van Gorinchem tevens verdienstelijk gemaakt met plannen en adviezen om rivieroverstromingen te voorkomen, vooral door de aanleg van regulerende werken en overlaten. Schreef daarover o.m. Rivierkundige waarnemingen uit ondervinding opgemaakt, dienstig tot het bepaalen van middelen ter voorkoming van overstroomingen der aangelegenste rivieren in Gelderland en Holland (1773). Ref.: NBW7. (vdt021)
«
Voorkant van boek: Zuiderzeeland: Nieuw Land in wording / K.A. Bazlen– Amsterdam: N.V. Uitgeversmaat- schappij Diligentia, 1952
(Zürich in Zwitserland 20 mei 1903 - Den Haag 21 feb. 1987), ingenieur. Studeerde na zijn opleiding aan de TH te Stuttgart in 1927 af aan de TH in Delft. Was daarna tot 1962 werkzaam bij de Dienst der ZZW in Den Haag. Schreef o.m. Zuiderzeeland; nieuw land in wording (1952) en technisch-wetenschappelijke artikelen in de vaktijdschriften w.o. Vijfentwintig jaar Afsluitdijk (1957). Ref.: LW 1962 n3 p88. (vdt022)
«
Voorkant van: Veranderingen in de flora en fauna van de Zuiderzee (thans IJsselmeer) na de afsluiting in 1932: verslag van de onderzoekingen, ingesteld door de Zuiderzee-commissie der Nederlandse Dierkundige Vereniging/ onder red. van L.F. de Beaufort ; m.m.v. W.S.S. van Benthem Jutting ... [et al.]. - Den Helder: De Boer, 1954
(Leusden 23 maart 1879 - Amersfoort 11 mei 1968), zoöloog, hoogleraar. Nam, tijdens zijn studie biologie in Amsterdam, als zoöloog deel aan de Nederlands Nieuw Guinea-expeditie in 1902-1903. Promoveerde in 1908 aan de UvA en was sinds 1922 directeur van het Zoölogisch Museum en sinds 1929 buitengewoon hoogleraar in de zoögeografie te Amsterdam. Verrichtte zeer verdienstelijk werk voor de ornithologie in Nederland. Schreef vele boeken over het leven in zee w.o. Veranderingen in de flora en fauna van de Zuiderzee (thans IJsselmeer) na de afsluiting in 1932 (1954). Was (van 1942 tot 1961) voorzitter van de Gemeentelijke Commissie Heemkennis Amsterdam en erelid van de KNAW. Ref.: BJ69, IBV, Ons Amsterdam 1962 n1 p1 en 1968 n6 p161, PKN, WID5-6, WWN63. (vdt023)
«
(Amsterdam 5 jan. 1854 - Den Haag 23 mei 1947), genie-officier, leraar, historisch-geograaf. Werkte, na in 1873 te zijn afgestudeerd aan de KMA in Breda, als genie-officier bij de aanleg van de Nieuwe Hollandsche Waterlinie. Nam in 1879 ontslag en werd leraar te Zutphen, aanvankelijk in de wiskunde, later in de aardrijkskunde. Schreef een aantal schetsen en novellen. Werd met Nederland als polderland (1884, herzien in 1914 en 1932) de grondlegger van de historische geografie in Nederland en heeft daarmee in belangrijke mate bijgedragen aan het huidige inzicht in de waterstaatkundige ontwikkeling van ons land. Was een warm voorstander van afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee. Met R.Schuiling kreeg hij grote bekendheid door zijn schoolatlas. Van zijn vele publikaties noemen we: De strijd om het bestaan; geschiedenis en tegenwoordige staat van de lage gronden van Nederland (1887), Het dijk- en waterschapsrecht in Nederland vóór 1795 (2 dln.; 1905-1907), Polders en droogmakerijen (2 dln.; 1909-1912), Onze waterkeeringen (1911), zijn levenswerk: Geschiedkundige atlas van Nederland (met P.J.Blok e.a.; 40 dln., 1913-1938), De afsluiting en droogmaking der Zuiderzee (1917), Lijst der aardrijkskundige namen van Nederland (1936) en zijn laatste werk De wateren van Nederland (postume uitgave; 1948). Beekman was bestuurslid van het KNAG, sinds 1923 erelid, daarnaast redacteur van het TKNAG. Zie ook: L.Ph.C.van den Bergh. Ref.: AWN3, BWN3, HJ, SGN, TKNAG 1947 p409, WG, WP7, WVG, ZJI. (vdt0024)
«
(Groningen 11 okt. 1778 - Groningen 6 jan. 1835), ingenieur. Was opzichter, later ingenieur bij de waterstaat in Den Briel. Voorstander van overlaten als middel ter voorkoming van rivieroverstromingen. Werd overgeplaatst naar Assen, later naar Groningen; uit die tijd dateert: Verhandeling over het vervaardigen van een kanaal in de provincie Drenthe (1835). Ref.: JCBG, NBW4. (vdt025)
«
(Witmarsum 22 apr. 1884 - Haarlem 4 nov. 1974), ingenieur, hoogleraar. Werkte, na in 1907 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, tot 1933 bij de waterstaat in NOI. Was van 1938 tot 1954 hoogleraar irrigatie en waterkracht aan de TH in Delft. Schreef slechts enkele collegedictaten en artikelen in De Waterstaatsingenieur w.o. Toepassing van de waarschijnlijkheidsleer op hydrologische waarnemingen (1931). Ref.: ING 1974 n49 p974, WID5-6, WND. (vdt026)
«
(Rotterdam 29 juni 1859 - Delft 30 jan. 1937), ingenieur, hoogleraar. Werkte, na zijn studie aan de PS te Delft, bij RWS in Nijmegen, Den Haag, Gorinchem, Hoek van Holland, Maastricht, Den Haag, Hoorn en Den Bosch. Was van 1900 tot 1924 hoogleraar waterbouwkunde aan de PS (sinds 1905 TH) in Delft en was van 1913 tot 1916 rector magnificus. Daarnaast was hij van 1918 tot 1923 lid van de Staatscommissie Zuiderzee en van 1919 tot 1923 van de Zuiderzeeraad. Een slepende ziekte bepaalde sindsdien zijn verdere leven. Hij schreef o.m. Verbetering van den Maasmond (1897) en Nederland in den strijd tegen het water (1913). Ref.: ING 1937 n10 pA79-A81, WND. (vdt027)
«
Titelblad van boek: Gedenkboek van Neerlands watersnood, in Februarij 1825 / J.C. Beijer. – ’s-Gravenhage: J. Immerzeel, junior, 1826
(Schiedam 9 okt. 1786 - Den Haag 28 dec. 1866), onderwijzer, schilder. Was onderwijzer in Delft en Breda, hoofdonderwijzer in Den Haag. Was, naast zijn eigenlijke beroep, een erkend amateurschilder van marines en landschappen. Schreef het uitvoerige Gedenkboek van Neerlands watersnood in Februarij 1825 (1826, 2 dln.). Ref.: NBK.(vdt028)
«
(ca. 1720 - na 1783), landmeter. Door jarenlange ervaring met afvoermetingen op de grote rivieren ook wel als rivieringenieur beschouwd. Schreef o.m. De rivierkundige verhandeling van Cornelis Velsen van verscheide misvattingen gesuijverd voornamelijk betrekkelijk het Pannerdensch Canaal (1770). Ref.: JCBG, NBW1. (vdt029)
«
Beijerinck, Jan Anne
(Lent 4 dec. 1800 - Den Haag 26 maart 1874), ingenieur. Begon als assistent van Jan Blanken bij de aanleg van het Noordhollands Kanaal. Had een belangrijk aandeel in de totstandkoming van de Zuidplaspolder en de Haarlemmermeer, waarvan de drie gemalen door hem werden ontworpen (1849-1852). Publiceerde o.m. Geschied- en waterbouwkundige beschrijving der droogmaking van den Zuidplaspolder in Schieland (1852) en Proeve van een ontwerp tot afsluiten, indijken, droogmaken en in cultuur brengen van een gedeelte der Zuiderzee (1866). Sloot zijn loopbaan af als hoofdinspecteur van de waterstaat. Zie ook: N.J.van der Lee, H.Linse. Ref.: GPZ, JCBG, TWG 1994 n2 p44, WG, WP7, WVG. (vdt030)
«
(Lent 4 april 1787 - Hoorn 7 dec. 1854), landmeter, ingenieur. Vervulde bij de waterstaat verschillende functies vanuit diverse standplaatsen: Kampen, Arnhem, Nijmegen, Zwolle en Den Haag. Verrichtte afvoermetingen op de grote rivieren en publiceerde: Onderzoek aangaande de theorieën omtrent de beweging des waters in kanalen, of de vermogens der rivieren, welke het noordelijk gedeelte der Nederlanden doorstroomen (1829). Ref.: JCBG, NBW1. (vdt031)
«
(Utrecht 3 juli 1891 - Assen 8 feb. 1960), bioloog, natuurbeschermer. Gaf, na zijn studie aan de LHS te Wageningen, tot 1926 leiding aan een boerenbedrijf te Wijster. Verrichtte daarnaast onderzoek naar de natuur, met name van plankton in heideplassen en publiceerde daarover in De Levende Natuur. Promoveerde in 1927 te Wageningen op Over verspreiding en periodiciteit van de zoetwaterwieren in Drentsche heideplassen. Beijerinck ijverde voor het behoud van typisch Drentse biotopen. Het door hem in 1933 opgerichte Biologische Station te Wijster werd in 1956 door de LHS te Wageningen overgenomen. In 1965 werd uit zijn nalatenschap het Beijerinck-Poppingafonds opgericht. Ref.: BWN1, PKN, WID5-6. (vdt032)
«
(zoon van M.G.Beijerinck; Zwolle 25 dec. 1828 - Hees 24 nov. 1894), ingenieur. Werd, na het volgen van lager en middelbaar onderwijs in Den Haag, als opzichter onder zijn oom J.A.Beijerinck bij RWS in dienst gesteld bij de droogmaking van het Haarlemmermeer, in het bijzonder bij de bouw van het stoomgemaal Cruquius. Werkte van 1856 tot 1887 bij Atlas te Amsterdam als deskundige op het gebied van de stoombemaling, sinds 1863 als directeur. Richtte in 1875 met J.C.de Leeuw een ingenieursbureau op voor stoombemaling van polders in binnen- en buitenland. Schreef Bemaling der middel- en binnendijksche buitenveldersche polders (met J.C.de Leeuw; 1875). Ref.: JCBG, NBW1. (vdt033)
«
(Sluis 13 dec. 1845 - Doetinchem 26 feb. 1928), ingenieur. Werkte bij RWS met verschillende standplaatsen en doorliep alle rangen tot en met die van IG. Ontwierp o.m. het schepradstoomgemaal te Schellingwoude en gold in zijn tijd als één der meest toonaangevende ingenieurs. Van zijn publikaties noemen we slechts: Nota omtrent de metingen van het vermogen der rivier de Dommel en hare nevenrivieren (met W.Verweij; 1870) en Iets over den invloed der afdamming van het Sloe op de Zeeuwsche stroomen (1873). Ref.: ING 1925 n50 p1066, ING 1928 n10 pA694. (vdt034)
«
Titelblad van boek: Het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland 1544-1944 / J. Belonje. - Wormerveer: Meijer, 1945
(Alkmaar 17 juni 1899 - Leiden 22 nov. 1996), jurist, waterstaatshistoricus, publicist. Studeerde rechten te Leiden en promoveerde aldaar in 1933 op De Zijpe en Hazepolder. Was werkzaam als advocaat, leraar, waterschapssecretaris en bankier. Was van 1937 tot 1957 secretaris van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West Friesland. Naast diverse maatschappelijke activiteiten was hij redacteur van De Navorscher en schreef zeer veel op het gebied van de genealogie, heraldiek, monumentenbescherming en waterstaat w.o. Sluizenbouw voor 300 jaar (1927), De Heer Hugowaard 1629-1929; een geschiedenis van den polder (1929), De Schermeer 1633-1933 (1933) en Het Hoogheemraadschap van de uitwaterende sluizen in Kennemerland en West Friesland 1544-1944 (1945). Ref.: PKN, WID5-6, WWN63. (vdt035)
«
Prof.dr. J.M. van Bemmelen heeft in 1880 verslag uitgebracht van de Commissie uit de Waterschappen in Noord-Holland omtrent het landbouwscheikundig onderzoek van de bodem van de Wieringermeer. Op grond van een waardevol onderzoek is aan de proefboerderij in de Wieringermeer de naam gegeven “de prof.dr. J.M. van Bemmelenhoeve”.
(Almelo 3 nov. 1830 - Leiden 13 mrt. 1911), bodemscheikundige, hoogleraar. Studeerde scheikunde en promoveerde in 1854 cum laude te Leiden. Was vanaf 1856 werkzaam als leraar schei- en natuurkunde te Groningen, later in Arnhem. Had grote belangstelling voor de landbouwscheikunde en analyseerde de samenstelling van bodemmonsters uit de Zuiderzee en diverse zeepolders. Was van 1874 tot 1901 hoogleraar in de anorganische scheikunde te Leiden. Wordt beschouwd als de grondlegger van de bodemscheikunde en colloïdchemie in Nederland. Publiceerde daarnaast ook over de geologie en archeologie van ons land, zoals in: Beschouwing over het tegenwoordig standpunt onzer kennis van de Nederlandsche terpen (1908), Aanteekening omtrent de daling van den Nederlandschen bodem (1909) en Rapporten met betrekking tot de bodemgesteldheid van de Wieringermeer en van den Andijker proefpolder (2 dln.; 1929). Ref.: BWN1, SGN, WP7, WWN63. (vdt036)
«
(Oostburg 1 jan. 1911 - Doorn 14 mei 1989), ingenieur, hoogleraar. Werkte, na in 1936 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, twee jaar bij het WL en tot 1956 bij RWS, laatstelijk bij de directie Bovenrivieren te Arnhem. Was van 1956 tot 1975 hoogleraar waterbouwkunde aan de TH in Delft. Schreef o.m. Meetinstrumenten in rivieren (1951), De rivier (inaugurele rede; 1956), enkele collegedictaten w.o. Algemene waterbouwkunde (2 dln.; 1967) en redigeerde Principles of river engineering (met P.Ph.Jansen en J.van den Berg; 1979, herdrukt in 1994). Ref.: WWN63. (vdt037)
«
(Meester Cornelis NOI 6 mei 1876 - Apeldoorn 27 sep. 1964), ingenieur. Was, na in 1900 te zijn afgestudeerd aan de PS te Delft, tot 1909 werkzaam bij de Algemene Dienst van RWS. Paste door harmonische analyse een bewerking toe op getijgegevens van de Nederlandse kust en benedenrivieren. Werkte tot 1931 in NOI en van 1935 tot 1941 als hoofdingenieur bij de Algemene Dienst van RWS in Den Haag. Schreef o.m. Getijkrommen van plaatsen aan de Nederlandsche kust en benedenrivieren (1911). Ref.: ING 1964 n44 pA669. (vdt038)
«
(Wijnjeterp gem. Opsterland 4 aug. 1905 - Enschede 14 okt. 1984), sociaal-geograaf, leraar. Studeerde sociale geografie en promoveerde in Utrecht op Het laagveengebied van Friesland (1933). Was leraar aardrijkskunde, later rector van een lyceum in Enschede. (vdt039)
«
(Langerak 20 aug. 1880 - Brummen 27 juni 1952), predikant, publicist. Studeerde theologie en promoveerde in 1914 te Utrecht. Was van 1904 tot 1944 hervormd predikant te Nijeveen. Had grote belangstelling voor volkskunde en regionale geschiedenis. Was bestuurslid van het Provinciaal Museum in Assen, redacteur van de Nieuwe Drentse Volksalmanak en mede-oprichter van het Drents Genootschap. Schreef vele tijdschriftartikelen en bijdragen aan boeken over plattelandscultuur met historische, culturele en religieuze achtergrond zoals Land en Volk van de Noordwesthoek (1948). Ref.: BLP2, J.Linthorst Homan In memoriam Dr.P.W.J. van den Berg (1953), R.D.Mulder In memoriam dr.P.W.J.van den Berg(1952). (vdt040)
«
(Düsseldorf 20 juni 1805 - Den Haag 17 sept. 1887), jurist, taalkundige, archivaris, historicus. Studeerde rechten en promoveerde in 1830 in Utrecht. Verrichtte baanbrekend werk op het gebied van de taal en dialectologie, volkskunde, geschiedenis, topografie en de onderlinge samenhang daarin. Volgde in 1865 R.C.Bakhuizen van den Brink op als algemeen rijksarchivaris. Schreef o.m. Handboek der Middelnederlandsche geographie (1852; herzien in 1872 en 1949 door A.A.Beekman en H.J.Moerman) en Oorkondenboek van Holland en Zeeland, tot 1299 (2 dln., 1866-1873). Daarnaast ook artikelen op waterstaatkundig gebied zoals De Nederlandsche wateren vóór de 12e eeuw (1852) en Nog iets over den Rijnmond bij Petten (1854). Ref.: Die Haghe 1930 p26, NBW4, WP7. (vdt041)
«
(Denekamp 24 jan. 1878 - Denekamp 18 apr. 1954), onderwijzer, natuurkenner. Bezocht de Rijksnormaalschool te Oldenzaal en was van 1897 tot 1938 onderwijzer aan de dorpsschool te Denekamp. Verzamelde, prepareerde en conserveerde vanaf zijn twaalfde voorwerpen uit de natuur en opende daarmee in 1911 het natuurhistorisch museum Natura Docet te Denekamp. Had als zinspreuk 'aanschouwen doet leren'. Trok veel op met E.Heimans; samen verwierven zij in de eerste helft van de 20e eeuw een grote naam in de opwekkingsbeweging voor natuurbescherming. Werd in 1946 benoemd als erelid van de KNNV. Schreef vooral over de natuur en bodem van Twente w.o. Ons Dinkelland (1916). Zie ook: A.Buter. Ref.: IBV, OB2, TJ. (vdt042)
«
(roepnaam: Herman; Rotterdam 29 april 1904 - Amsterdam 11 april 1994), journalist, schrijver. Bezocht in zijn geboorteplaats het gymnasium en werd journalist bij het Rotterdams Nieuwsblad. Sinds 1948 maakte hij deel uit van de redactie van het Algemeen Handelsblad te Amsterdam waarvoor hij, naast talloze reportages, de reisrubriek In de Gloed van de Globe verzorgde. Schreef romans, een novelle, diverse reisgidsen en enkele boeken w.o. Molens van Nederland (1974) en Langs oude en nieuwe wegen (1981). Ref.: WWN1. (vdt043)
«
Eerste pagina van artikel: Bestek opmaken voor de openbare watervoorziening / C. Biemond. - {s.l.]: [s.n.}, [s.a.]. - land en water jrg. 1 (1957). - maart p. 51-52
(roepnaam: Cees; Amsterdam 16 apr. 1899 - Leiden 28 aug. 1980), ingenieur. Werkte, na in 1923 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, tot 1937 bij PW van Amsterdam. Gaf leiding aan de bouw van vele bruggen w.o. de Berlagebrug. Was lid van de Zuiderzeeraad en betrokken bij het ontwerp van het Amsterdam-Rijnkanaal. Was van 1937 tot 1964 directeur van Gemeentewaterleidingen Amsterdam en van de Watertransportmij. Rijn-Kennemerland. Schreef n.a.v. de Februariramp een kritisch artikel in De Groene Amsterdammer (14 feb. 1953). Voorts: o.m. De watervoorziening van Amsterdam (1940), Water (1968) en Zevenhonderd jaar watervoorziening van Amsterdam (1968). Ref.: CPE, H2O 1980 n19 p471 e.v., PKN, WID5-6, WWN63. (vdt044)
«
Titelblad van: Boerderijen/ samengest. door Koen Limperg, architect Groep "De 8" en W. van Gelderen, architect "Opbouw"; m.m.v. de Directie van de Wieringermeer; bijdr. Koen Limperg ... [et al.]. - Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, [1938]. – bevat o.a. J.T.P. Bijhouwer, Het boerenerf; Kaarten van de Wieringermeer
(Amsterdam 15 nov. 1898 - Wageningen 22 aug. 1974), landschapsarchitect, hoogleraar. Studeerde in 1921 cum laude af aan de LHS te Wageningen en promoveerde op Geobotanische studie van de Berger duinen (1926). Werkte, na enige studiereizen naar de VS, bij de Dienst Stadsontwikkeling in Rotterdam en van 1933 tot 1939 als adviseur voor de beplanting van de Wieringermeer. Was daarna docent, lector en sinds 1946 hoogleraar in de tuin- en landschapsarchitectuur te Wageningen en aan de TH in Delft. Schreef diverse artikelen en rapporten w.o. Algemeen plan voor de verbetering van de uitgeveende gronden in het Land van Vollenhove (met D.I.Luteijn en J.A.G.van der Steur; 1943). Zijn boek Het Nederlandsche landschap en zijn oude ontginningen (1944) werd postuum herzien tot Het Nederlandse Landschap (1977). Ref.: HM 2001 n3 p86, WID5-6, WWN63. (vdt045)
«
Artikel: Het grondwater in Rijnland / J.G. Bijl UIT: Nieuwe verhandelingen van het Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke wijsbegeerte. – Rotterdam: Bataafsch Genootschap, 1930
(Amsterdam 26 juli 1881 - Haarlem 22 aug. 1939), ingenieur. Werkte, na zijn studie aan de TH in Aken en Delft, tien jaar in de Haarlemmermeer bij de aanleg van de spoorlijn Haarlem-Hoofddorp-Aalsmeer en Hoofddorp-Leiden, daarna als polderingenieur. Schreef o.m. De Haarlemmermeerpolder (1927) en Polderproblemen in de loop van drie eeuwen (1933). IJverde voor inrichting van het v.m. stoomgemaal Cruquius als poldermuseum (1936). Ref.: ING 1939 pA349-A350. (vdt046)
«
(meestal geschreven als: Byvanck; Leiden 4 juli 1884 - Leiden 16 aug. 1970), archeoloog, historicus. Medewerker KB, hoogleraar archeologie en oude geschiedenis te Leiden. Beoefende de archeologie vanuit de literatuur en niet in het veld; bekleedde diverse bestuurlijke functies. Schreef o.m. De voorgeschiedenis van Nederland (1942) en Nederland in den Romeinschen tijd (1943). Ref.: BJ71, BWN4, NGL, WH 1970 p202, WID5-6. (vdt047)
«
(roepnaam: Piet; Rotterdam 14 juli 1914 – Den Haag 1 jan. 1992), journalist. Schreef als freelance journalist over landschapsschoon en toerisme in eigen land. Verzorgde fotoboeken en gaf lezingen om het binnenlands toerisme te propageren. Woonde en werkte in het midden van de vorige eeuw te Leeuwarden, waar hij directeur van de Provinciale Friese VVV was, daarna in Den Haag. Schreef o.m. Frieslands strijd tegen het water (1949), Fries-Groningse kanalen; de moderne scheepvaartverbinding tussen het noorden en het westen van Nederland (1951), de bekende Prisma-toeristengids (2 dln., 1965) en Kijk op Zeeland (met foto´s van Kees Scherer; 1977). (vdt047a)
«
(vader van de bekende cartograaf Joan Blaeu; Alkmaar of Uitgeest 1571 - Amsterdam 21 okt. 1638), cartograaf, drukker, uitgever. Verwierf grote bekendheid door kaartboeken en atlassen w.o. Het licht der Zeevaert (1608) en De Zeespiegel (1624). Ref.: NBW10, NGL. (vdt048)
«
(broer van Jan Blanken; Haastrecht 11 juli 1766 - Gouda 3 mei 1824), landmeter, ingenieur. Had bij de waterstaat de leiding over het beheer van de vestingwerken van Nieuwersluis tot Muiden, het herstel van de grote zeesluis te Muiden, de vervening van de Krimpenerwaard en ontwierp plannen tot droogmaking van de Haarlemmermeer en afsluiting van de Hollandse IJssel. Schreef als hoofdingenieur van Zuid-Holland, met F.W.Conrad Sr. en S.Kros, Rapport wegens het onderzoek omtrent eene uitwatering te Catwyk aan Zee (1803). Zie ook: C.Brunings (2), I.P.Delprat. Ref.: JCBG, NBW1. (vdt049)
«
Blanken, Jan
(Bergambacht 15 nov. 1755 - Vianen 17 juli 1838), waterbouwkundige. Legde zich vooral toe op het ontwerp van kunstwerken voor de landsverdediging. Was van 1808-1827 IG van de Waterstaat en was voorstander van de normalisatie van de grote rivieren en de aanleg van scheepvaartkanalen, w.o. het Noordhollands Kanaal. Met Christiaan Brunings en Adriaan Goudriaan behoorde hij tot de belangrijkste adviseurs van Koning Willem I op waterstaatkundig gebied. Van zijn publicaties noemen we: Memorie van geschiedkundige aanteekeningen over de vroegere binnendijksche waterontlastingen door sluizen en waterleidingen tot in de buitenrivieren en de daarop gevolgde stichting der windwatermolens etc. (1834). Zie ook: J.A.Beijerinck. Ref.: De Physique Existentie dezes Lands (1987), JCBG, NBW1, NGL, WP7, WT. (vdt050)
«
Artikel: Is Nederland uit een haff ontstaan? / D.H.S. Blaupot ten Cate UIT: De Ingenieur. - (1912) 11(16 maart). 's-Gravenhage: Belinfante, 1912
(Groningen 16 juni 1863 - Apeldoorn 6 okt. 1944), ingenieur. Werkte als zelfstandig raadgevend civiel ingenieur te Groningen. Schreef diverse rapporten en artikelen over geologie, archeologie en waterstaat w.o. Het Eemskanaal, het Winschoter-, het Muntendammer-, Dwars- en Oosterdiep en het Stadskanaal benevens de Noord-Willemsvaart en het eerste pand van het Reitdiep, beschouwd als scheepvaart- en afwateringskanalen (1902) en Ontwerp tot verbetering van de Steenwijker-, de Wapserveensche- en de Vledder Aa (1908). Woonde sinds 1935 te Arnhem en schreef daar Het ontstaan van de Nederlandsche duinkust (1936). Ref.: ING 1945 pA125. (vdt051)
«
(Rotterdam 2 dec. 1829 - Velp 29 nov. 1911), ingenieur. Een veelzijdig man die in uiteenlopende functies werkzaam was bij de waterstaat in Groningen, Den Haag, Middelburg en Arnhem. Ontwikkelde apparatuur voor riviermetingen, verrichtte waterpassingen over de Ooster- en Westerschelde en gaf leiding bij de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland. Werkte, speciaal voor de waterbouwkundige terminologie, mee aan het Woordenboek der Nederlandsche Taal (1864 e.v.) van De Vries en Te Winkel. Schreef o.m. De verbetering der Nederlandsche hoofdrivieren (1880). Ref.: NBW9. (vdt052)
«
van Bleiswijk, Pieter
(Delft 1724 - Delft 1790), pensionaris [stadsadvocaat] van Delft. Studeerde rechten, wis- en natuurkunde en promoveerde in 1744 op De Aggeribus (Lat.= over het bedijken). Was curator van de Leidse Hoogeschool. Schreef o.m. Natuur- en wiskundige verhandelingen over het aanleggen en versterken van dijken (1778). Ref.: De physique existentie dezes lands (1987), NBW10. (vdt053)
«
(De Wijk 12 febr. 1852 - Den Haag 26 dec. 1931), geograaf, hoogleraar. Studeerde voor onderwijzer, later voor leraar in de staatswetenschappen en in de geografie. Promoveerde in 1887 te Straatsburg en was leraar te Harlingen, Rotterdam en Nieuwer Amstel. Werd de grondlegger van de economische geografie in Nederland; doceerde tot 1923 te Leiden, Rotterdam en Wageningen. Oprichter van het Tijdschrift voor Economische Geografie en van Vragen van den Dag, waarin hij vele honderden artikelen heeft geschreven w.o. De Zuiderzee, haar ontstaan en de plannen tot droogmaking (1892). Van zijn boeken noemen we: Van de Eems tot de Schelde (4 dln., 1902-1905), Woeste gronden, ontginningen en herbebossching van Nederland (1929) en Een tijds- en levensbeeld 1852-1932 (autobiografie, postuum verschenen in 1932). Zie ook: W.E.Boerman, R.Schuiling. Ref.: BWN3, HJ, WP7. (vdt054)
«
De Blocq van Kuffeler, Victor Jean Pierre
(aangesproken als: Van Kuffeler; Rhenen 22 maart 1879 - Den Haag 1 juni 1963), ingenieur. Was, na in 1900 te zijn afgestudeerd aan de PS te Delft, in verschillende functies werkzaam bij RWS, sinds 1919 bij de Dienst der ZZW. Volgde in 1929 H.Wortman op als DG, welke rang hij van 1935 tot 1946 bekleedde als HID, opgevolgd door J.F.R.van de Wall. Wegens zijn verdiensten voor de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee werd hem in 1949 door de TH in Delft een eredoctoraat verleend. Was lid van de Zuiderzeeraad en de Deltacommissie. Van zijn publicaties noemen we: Verslag der onderzoekingen ... voor ... den aanleg van een gedeelte van de afsluiting der Zuiderzee en indijking en droogmaking van de Wieringermeer (3 dln., 1914), De ontwikkelingsgang bij de Zuiderzeewerken (1950) en Veertig jaar Zuiderzeewerken (rede bij aftreden uit de Zuiderzeeraad, 1960). Zijn naam werd gegeven aan het gemaal van Zuidelijk Flevoland bij Almere. Zie ook: J.G.Schilthuis. Ref.: BJ64, ED, E.Hermsen Dr.ir.S.Smeding (1988), ING 1963 pA406, LW 1959 n2 p77, WID5-6, WND, WWN63, ZJI. (vdt055)
«
(Sliedrecht 18 mrt. 1920 - Utrecht 7 aug. 1976), ingenieur. Was, na in 1950 afgestudeerd te zijn aan de TH in Delft, werkzaam bij RWS. Was betrokken bij de bouw van kaden en muren in de haven van Den Helder, bij de Rijnkanalisatie, de Volkerakwerken en van 1953 tot 1972 bij ontwerp en bouw van de uitwateringssluizen in het Haringvliet. Was sinds 1971 HID van de Dir. Sluizen en Stuwen te Utrecht. Schreef o.m. Rijnkanalisatie (met K.van Til en A.Eggink; 1960) en De schutsluizen in het Volkerak (1965). Ref.: ING 1976 p725, LW 1976 n9 p23. (vdt056)
«
(Oudega gem. Smallingerland 16 aug. 1824 - Den Haag 13 april 1910), jurist. Was advocaat en president van de rechtbank te Heerenveen, schoolopziener, lid van de Hoge Raad en TK. Schreef juridische, taalkundige en historische artikelen w.o. De alde Fríske wetten oer de sédiken int liucht der skiednis biskôge (1863) en De Middelzee, brokstukken uit Frieslands geschiedenis (1889). Ref.: DWF4, EF. (vdt057)
«
Boekel, Pieter
(Zaandam 30 apr. 1832 - Abbenes 26 mrt. 1899), onderwijzer. Was onderwijzer in de Haarlemmermeer, aanvankelijk te Rijk, en sinds 1860 als hoofdonderwijzer op het voormalige eiland Abbenes. Schreef het eerste boek over deze droogmakerij: Geschiedenis van het Haarlemmermeer in schetsen en tafereelen (1868). Ref.: W.Slob Meester Boekel en zijn school (2000). (vdt058)
«
(Assen 22 nov. 1873 - Leeuwarden 6 mei 1961), jurist, archeoloog. Studeerde rechten en promoveerde in 1897 te Groningen. Was advocaat en raadsheer te Leeuwarden en had daarnaast grote belangstelling voor de geschiedenis van Friesland. Was van 1897 tot 1916 beheerder van het Fries Museum en de bibliotheek, later conservator van de archeologische en numismatische afdelingen en van 1933 tot 1950 conservator van het Fries Museum. Wordt, met A.E.van Giffen, beschouwd als grondlegger van de archeologie van het Noordnederlandse terpengebied. Publiceerde talrijke artikelen over de geschiedenis en archeologie van Friesland. Zijn meest bekende boeken zijn De Friesche terpen (1906), Friesland in den Romeinschen tijd (met C.W.Vollgraff; 1917) en zijn levenswerk Friesland tot de elfde eeuw (1927). Ref.: EF, De Hollandsche Revue 1921 p809, WH 1961 p85, WID5-6, WP9. (vdt059)
«
(Den Ham 5 juni 1889 - Zwolle 5 aug. 1971), leraar, schilder. Woonde en werkte als onderwijzer te Vroomshoop, Sleen en Blokzijl. Was vanaf 1922 leraar aan de ambachtsschool te Deventer. Zijn liefde voor de natuur uitte zich in het schilderen, pentekenen en schrijven. Kreeg tekenles van zijn collega Bartus Korteling te Deventer. Publiceerde in tijdschriften als De Levende Natuur en In Weer en Wind over natuurhistorie en in zijn onvolprezen boek Op en om de Wieden; de schoonheid van het Overijssels merengebied (1947). Ref.: HM 2001 n3 p85, NBK. (vdt060)
«
(Holwerd 7 juli 1845 - Witmarsum 9 juli 1902), jurist. Was gemeentesecretaris, notaris en advocaat. Schreef o.m. Bijdrage tot de geschiedenis der dijkplichtigheid in Friesland inzonderheid met betrekking tot Oostergoo (1868). Ref.: EF. (vdt061)
«
Titelblad van: 100 jaar Nederlandse scheepvaart / door M.G. de Boer. - Den Helder ; Amsterdam : De Boer, 1939
(Groningen 18 maart 1867 - Amsterdam 15 mei 1958), historicus. Studeerde geschiedenis in Groningen en promoveerde aan de universiteit van Heidelberg. Was leraar in Goes en Amsterdam aan verschillende scholen voor middelbaar onderwijs en redacteur van het Tijdschrift voor Geschiedenis. Hij leefde voor "de charme van het speuren" en publiceerde helder en overzichtelijk, vooral over de geschiedenis van handel en scheepvaart w.o. zijn standaardwerk De haven van Amsterdam en haar verbinding met de zee (1926). Ref.: BJ59, BWN1, NGL, PKN, WID5. (vdt062)
«
(Arnhem 27 mei 1888 - Rotterdam 18 feb. 1965), geograaf, hoogleraar. Was tot 1958 hoogleraar in de economische en sociale geografie te Rotterdam. Wordt, met zijn voorganger Hendrik Blink, beschouwd als de grondlegger van de economische geografie in ons land. Was een pionier op het gebied van de ruimtelijke ordening en ijverde voor de uitgave van de Atlas van Nederland (1963 e.v.). De University of Durham te Newcastle verleende hem een eredoctoraat. Van zijn vele publicaties vermelden we slechts Primaire waterwegen in Zuid-Holland (1941), de biografie Roelof Schuiling (1941) en De Lopikerwaard (2 dln.; 1950). Ref.: BJ66, HJ, WID5-6, WP7, WWN63. (vdt063)
«
(Geervliet 4 sep. 1902 - 's-Gravenzande 24 apr. 1976), ingenieur. Werkte, nadat hij in 1924 afstudeerde aan de TH in Delft, bij RWS in verschillende functies. Zijn bijzondere verdienste was het herstel van de in de Tweede Wereldoorlog vernielde grote bruggen in ons land. Was van 1954 tot zijn pensionering HID van de Directie Bruggen in Den Haag, opgevolgd door H.Kuiper. Van zijn publicaties vermelden we: Opruiming en herstelling van de bruggen voor gewoon verkeer over de groote rivieren en belangrijke kanalen (met H.J.Romeijn; 1945) en Bruggen over de Maas (1962). Ref.: ING 1976 p455, LW 1962 n4 p141, LW 1967 n5 p237-238. (vdt064)
«
(Zutphen 13 okt. 1874 - Amsterdam 17 feb. 1915), ingenieur, leraar. Werkte, na zijn studie aan de PS te Delft, van 1895 tot 1904 bij RWS en daarna tot 1908 als leraar waterbouwkunde aan de KMA in Breda. Was sindsdien werkzaam bij PW van Amsterdam en initiatiefnemer tot het afnemen van examens voor waterbouwkundige opzichters. Zijn naam blijft verbonden aan het Beknopt leerboek der waterbouwkunde (met A.W.C.Dwars; 1913). Zie ook: W.Barentsen, W.H.J.van der Hooft. Ref.: ING 1915 n8 p151-152. (vdt065)
«
(Leiden 1704 - Leiden 1779), landmeter, cartograaf. Was sinds 1731 in dienst van het Hoogheemraadschap van Rijnland als landmeter en studeerde enige tijd wiskunde in Leiden. Verrichtte metingen van de ligging van bodem, oevers en kustlijn en adviseerde over de verdediging ervan. Maakte een atlas van 24 bladen van de waterstaatkundige toestand van Rijnland. Publiceerde over de verzanding van de grote rivieren, hoge rivierstanden en maatregelen ter voorkoming van overstromingen zoals in Memorie van nadere consideratiën over de middelen welke aangewend zouden kunnen worden, om het eminente gevaar .... te ontwijken, of merkelijk te doen verminderen (met J.Lulofs; 1763). Ref.: NBW6. (vdt066)
«
(Alkmaar 14 mei 1801 - Den Haag 2 nov. 1892), ingenieur. Werkte voor de waterstaat te Nieuwe Diep bij de aanleg van het Noordhollands Kanaal. Vanuit Leeuwarden regelde hij de vervening en de vorming van slibfondsen in de gemeenten Aengwirden, Schoterland, Haskerland en Opsterland. Schreef: Memorie omtrent den tegenwoordigen toestand van den binnenlandschen waterstaat in de provincie Friesland ... verbeteringen aan de kanalen van algemeene afstrooming en scheepvaart (1860). Ref.: JCBG, NBW5. (vdt067)
«
(Apeldoorn 4 dec. 1910 - Amersfoort 17 okt. 1991), ingenieur. Werkte, na in 1938 aan de TH in Delft te zijn afgestudeerd, in NOI en sinds 1953 bij het Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier te Alkmaar, laatstelijk als directeur van de technische dienst. Schreef o.m. Rapport binnenwaterkeringen (5 dln., 1959-1960) en De Hondsbossche Zeewering door de eeuwen heen (1970). Ref.: LW 1962 n2 p104, ING 1992 n1 p39. (vdt068)
«
van der Bom, Frederik Lambertus
(Amsterdam 8 okt. 1902 - Den Haag 21 mrt. 1994), ingenieur. Was, na in 1924 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, sinds 1925 in verschillende functies werkzaam bij de Dienst der ZZW. In 1940 werd hij hoofd van de afdeling Noordoostpolder. Volgde in 1961 F.J.B.G.Geers op als HID en werd in 1967 in die functie opgevolgd door M.Klasema. Was secretaris van verschillende secties van het KIVI. Schreef diverse artikelen in de technische vaktijdschriften w.o. De Noordoostelijke polder der Zuiderzeewerken (3 afl., 1942-1946) en, met C.J.van den Bout en J.C.le Nobel, De Zuiderzeewerken; Zuidelijk Flevoland (1965). Ref.: AB, ED, LW 1967 n5 p239, WID5-6. (vdt069)
«
Eerste pagina van artikel: De veiligheid in den polder / M.C.E. Bongaerts. - TIJD In: De roomskatholieken boerenstand. - GEG: 10 (1931) 7 (12 november). - p. 289-290
(Roermond 9 jan. 1875 - Den Haag 10 mei 1959), ingenieur, minister. Was, na in 1896 te zijn afgestudeerd aan de PS te Delft, werkzaam bij RWS achtereenvolgens te 's-Hertogenbosch, Den Haag, Breda, Nieuwendijk, Heusden, Breda, Dordrecht en Goes, laatstelijk als hoofdingenieur. Was sinds 1913 lid van de TK, was van 1925 tot 1926 minister van Waterstaat, sinds 1925 ondervoorzitter en van 1940 tot 1945 voorzitter van de Zuiderzeeraad. Maakte deskundige propaganda voor het bevaarbaar maken van de Maas door kanalisatie. Schreef artikelen in De Ingenieur en verzorgde in opdracht van het Ministerie van Waterstaat het magistrale werk De scheiding van Maas en Waal, onder verlegging van de uitmonding der Maas naar den Amer (1909) en Stroommetingen op onze benedenrivieren (1911). Zie ook: H.van Oordt. Ref.: PKN, WG, WID5-6, ZJI. (vdt070)
«
(Roermond 22 juni 1879 - Amsterdam 13 juni 1944), ingenieur. Was oprichter en directeur van het Adviesbureau voor Civiel-Ingenieurswerken, later Bongaerts, Kuyper en Huiswaard te Den Haag. Schreef o.m. Het nieuwe Linge-gemaal (met A.van der Mast; 1944-1945). Ref.: ING 1945 pA125, NP 1999. (vdt071)
«
Voorkant van boek: De Zuiderzee / K. Boonenburg. – Amsterdam : Allert de Lange, 1956
(Rijswijk 29 okt. 1916 - Hattum 21 feb. 1998), kunstschilder, museumdirecteur. Werkte, na zijn opleiding aan de PA in Den Haag, bij het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen aldaar, sinds 1954 als wetenschappelijk ambtenaar bij het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen en van 1962 tot 1979 als directeur van het Provinciaal Overijssels Museum te Zwolle. Schilderde als autodidact landschappen in impressionistische stijl. Schreef over water- en windmolens en de scheepvaart en visserij op de voormalige Zuiderzee: De windmolens van Nederland (1946), De Zuiderzee (1956) en De stervende Zuiderzee (met J.Lussenburg; 1963). Ref.: NBK, OLB, WWN1. (vdt(072)
«
(Amsterdam 7 juli 1817 - Den Haag 5 jan. 1899), genie-officier, ingenieur. Was, na in 1837 te zijn afgestudeerd aan de KMA in Breda, vele jaren in dienst van de Genie. Speelde sinds 1860 een belangrijke rol in de aanleg van spoorwegen in ons land. Ook op Java werden sinds 1863 de eerste spoorlijnen onder zijn leiding aangelegd. Was in de periode van 1878 tot 1885 tweemaal voorzitter van het KIVI. Schreef o.m. De haven van het Nieuwe Diep (1860). Ref.: GGK, ING 1899 11 feb, NBW1, WT. (vdt073)
«
(Dordrecht 27 mei 1892 - Eefde 2 april 1945), ingenieur, watergraaf. Studeerde aan de TH in Delft en promoveerde op De ontwikkeling der waterschappen in Gelderland (1930). Was watergraaf van het Waterschap De Berkel. Kwam tijdens een bombardement om het leven. Ref.: BDD, ING 1945 pA124. (vdt074)
«
(Huizum 15 dec. 1877 - Groningen 21 okt. 1939), bioloog, leraar. Was aanvankelijk onderwijzer, daarna leraar plant- en dierkunde, natuurkunde en aardrijkskunde in Nijmegen, in 1905 te Almelo en in 1907 te Leeuwarden. Studeerde in 1915 af in de plant- en dierkunde en geologie in Groningen en promoveerde aldaar in 1916. Was van 1915 tot aan zijn dood leraar plant- en dierkunde aan verschillende middelbare scholen in de stad Groningen. Zette zich in voor behoud van de Friese taal en pleitte voor de beoefening van de heemkunde. Schreef een aantal boeken in het Fries w.o. Fen Fryslan's Groun; geologyske sketsen (1921) en diverse artikelen over het ontstaan van het landschap w.o. De Friesche Kliffen (1919), Het Prinsenhof (1934) en Het Wad (1935). Ref.: EF, TJ, M.Wiegersma Libbensskets fen dr. Botke (1942). (vdt075)
«
Bouman, Jacobus
(roepnaam: Kobus; Beemster 20 jan. 1799 - Beemster 6 jan. 1877), landbouwer, lokaal historicus. Autodidact die van jongsaf boeken verzamelde en artikelen overschreef. Publiceerde over de landbouw, folklore en dialect van de Beemster, een autobiografie alsmede het boek Bedijking, opkomst en bloei van de Beemster (1857; herdruk 1977). Ref.: West-Frieslands Oud en Nieuw 1958 p99-114. (vdt076)
«
Voorkant van boek: Het verlaten eiland: Schokland in 1859 ontruimd / P.J. Bouman. – Urk : Stichting Urker Uitgaven, 1985
(Batavia 19 sep. 1902 - Groningen 10 maart 1977), socioloog, hoogleraar, historicus. Studeerde economie in Rotterdam en promoveerde bij Z.W.Sneller op Rotterdam en het Duitsche achterland 1831-1851 (1931). Was leraar geschiedenis in Middelburg, later hoogleraar in de sociologie te Groningen. Publiceerde veel over cultuur en maatschappij, schreef enkele gedenkboeken en een biografie. Zijn schrijverstalent blijkt o.m. uit het boekje Het verlaten eiland (1975), over de ontruiming van Schokland in 1859. Ref.: BJ78, BWN2, EZ, GEN, WID5-6, WP7, WWN63. (vdt077)
«
(Middelburg 16 sept. 1862 - Den Haag 28 nov. 1924), ingenieur, leraar. Was aanvankelijk leraar Frans in Engeland en sinds 1886 leraar Engels in Vlissingen. Verhuisde in 1890 naar Delft en slaagde in 1894 aan de PS als civiel ingenieur en in 1895 als bouwkundig ingenieur. Vestigde zich te Breda als architect, stedenbouwkundige en als eigenaar van een betonfabriek. Was daarnaast sinds 1898 leraar aan de KMA. Schreef enkele artikelen w.o. De Westkapelsche zeedijk en Domburgsche zeeweringen (1897). Ref.: ING 1925 n4 p84. (vdt078)
«
dr. ir. A.J. Zuur en ir. G.J. v.d. Bout: tijdelijke weg door de wilde vegetatie ten oosten van Dronten
(Nijmegen 31 dec. 1910 - Leeuwarden 7 jan. 1978), ingenieur. Werkte, na in 1938 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, tot 1975 bij de Dienst der ZZW te Kampen, Lemmer, Vollenhove en Den Haag, laatstelijk als hoofd van de afdeling Dijken en Scheepvaartwegen. Schreef o.m. De Zuiderzeewerken; Zuidelijk Flevoland (met F.L.van der Bom en J.C.le Nobel; 1965) en Poldervaarten in Zuidelijk Flevoland (1967). Ref.: ING 1978 p104. (vdt079)
«
Voorkant van rapport: De voordeligste lengten en breedten van fruitteeltbedrijven uit het oogpunt van landinrichting en landgebruik / B.W. Braams en K.S. Feitsma. – Zwolle: Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, 1968. – (Flevobericht ; no. 57)
(Den Bosch 13 sep. 1927 - Holten 1 jan. 2001), landbouwkundig ingenieur, historisch geograaf. Was, na in 1955 te zijn afgestudeerd aan de LHS te Wageningen, tot 1988 werkzaam bij het Ministerie van Landbouw en Visserij, sinds 1964 als consulent voor de tuinbouw. Maakte sinds 1988 studie van de historische geografie en promoveerde in 1995 aan de LU te Wageningen op Weyden en zeyden in het broek; Middeleeuwse ontginningen en exploitatie van de kommen in het Land van Heusden en Altena. Schreef verder o.m. Het Land van Heusden en Altena na de Sint Elizabethsvloed van 1421; de herdijkingen in de 15e eeuw (1990) en Oude veldnamen in het Land van Heusden en Altena (1998). (vdt080)
«
Titelblad van boek: De archaeologie van de Wieringermeer : een bijdrage tot de geschiedenis van het ontstaan der Zuiderzee / W.C. Braat. - Leiden: Brill, 1932
(Delft 4 feb. 1903 - Oegstgeest 28 mrt. 2000), archeoloog. Studeerde letteren aan de RU te Leiden en promoveerde aldaar in 1932 op De archaeologie van de Wieringermeer; een bijdrage tot de geschiedenis van het ontstaan van de Zuiderzee. Schreef diverse artikelen over de archeologie van de Romeinse tijd en vroege Middeleeuwen in Nederland zoals o.m. De Brittenburg (1958) en De ontwikkeling van de kastelenbouw in Nederland in de vroege middeleeuwen (1964). Zie ook: J.H. Holwerda. (vdt81)
«
(Amsterdam 7 juli 1792 - Haarlem 29 nov. 1857), ingenieur. Maakte studie van de spoorwegbouw in Engeland en gaf de aanzet tot aanleg van de spoorwegen in ons land. Was in 1837 mede-oprichter van de Hollandsche IJzeren Spoorwegmij. en tevens haar eerste ingenieur-directeur. Opperde in 1845 plannen om Amsterdam van drinkwater te voorzien vanuit de Vecht of de Lek. Zijn meest bekende werk is het Handboek der waterbouwkunde (1844). Ref.: CPE, NGL. (vdt082)
«
(Amsterdam ca. 1730 - Haarlem ca. 1800), zeevaarder. Was aanvankelijk beurtschipper van Amsterdam op Rouen, Bremen en Hamburg; later kapitein op de vaart naar Suriname. Schreef drie publicaties over de slechte toegankelijkheid van Amsterdam vanuit zee w.o. Scylla en Charybdis; behelzende een project ter verbetering der zeegaten en het vaarwater van Texel en aanwinning van eenige duizend morgen land (1780). Ref.: BW. (vdt083)
«
(Lemmer 13 apr. 1842 - Lemmer 28 juni 1917), opzichter. Was vele jaren hoofdopzichter van de Prins Alexanderpolder en schreef diverse rapporten zoals Studiën over het verzanden van riviermonden toegepast op en beschouwd in verband met den Waterweg door den Hoek van Holland, benevens een plan tot het maken van een voldoend diepen waterweg door den Hoek van Holland (1878) en Polderbemaling (1897) en artikelen in o.m. De Ingenieur. Was de eerste Nederlander die aandrong op waterloopkundig onderzoek en daarin gesteund werd door J.Kraus. Ref.: WND. (vdt084)
«
(Amsterdam 10 nov. 1865 - Amsterdam 7 mrt. 1927), archivaris. Studeerde letterkunde aan de VU te Amsterdam en promoveerde aldaar in 1894 op werk van P.C.Hooft. Was sindsdien werkzaam als archivaris: aanvankelijk als vrijwilliger, sinds 1922 als gemeentearchivaris van Amsterdam. Was daarnaast sinds 1896 bibliothecaris van de VU. Was van 1907 tot 1927 secretaris van het genootschap Amstelodamum, sinds 1925 erelid; schreef vele artikelen w.o. De Damsluizen (1916). Ref.: BWN1, VVU. (vdt085)
«
(Terneuzen 22 mei 1876 - Woudenberg 26 maart 1964), waterbouwkundige. Werkte vele jaren met verschillende standplaatsen bij RWS, laatstelijk in de rang van waterbouwkundige. Zijn naam leeft voort als de auteur van het klassieke werk Holland's rijshout (1920). (vdt086)
«
(IJzendijke 15 dec. 1830 - Maastricht 9 juli 1889), ingenieur. Werkte in dienst van de waterstaat aan de spoorweg van Antwerpen naar Moerdijk. Daarna te Den Haag, Gorinchem, Utrecht, Zutphen (kanaal Apeldoorn-Dieren), Maastricht, Leeuwarden (uitbreiding haven van Harlingen en dam op de Pollen) en Middelburg. Schreef: Memorie behoorende bij het ontwerp voor het maken eener haven te Harderwijk (1865) en, met T.J.Stieltjes: Het kanaal van Apeldoorn naar Dieren (1865). Ref.: NBW2. (vdt087)
«
(Dieren 20 jan. 1885 - Utrecht 5 nov. 1952), ingenieur. Werkte, na in 1907 te zijn afgestudeerd aan de TH te Delft, zijn hele leven bij RWS, o.m. in Den Haag, Alkmaar, Den Bosch, Vlissingen en Utrecht. Was van 1935 tot 1950 HID van RWS in de Directie Utrecht en van 1944 tot 1945 waarnemend DG van RWS. Publiceerde in De Ingenieur o.m. De keersluis te Vlissingen (met C.de Groot; 1929) en De werken van het Amsterdam-Rijnkanaal tussen de Vaartsche Rijn bij Jutphaas en de Lek bij Vreeswijk (1934). Ref.: ING 1953 pA33-A34, PKN, WID5. (vdt088)
«
(Dordrecht 8 nov. 1879 - Bad Nauheim 6 okt. 1935), ingenieur. Werkte, na in 1902 te zijn afgestudeerd als civiel ingenieur aan de PS te Delft, vanuit diverse standplaatsen bij RWS, onderbroken door buitenlandse havenstudies o.a. met J.Kraus en O.C.A.van Lidth de Jeude. Schreef, met H.Wortman, Geschiedenis en beschrijving van het Noordzeekanaal (1909). Ontwikkelde sinds 1923 het eerste Rijkswegenplan (1927), werd HID van de directie Wegenverbetering en was mede-oprichter van het Rijkswegenbouwlaboratorium (1927). Overwerkt bezocht hij de bezweken golfbreker van Leixoes in Portugal, waarna hij overleed in een kuuroord te Bad Nauheim. Ref.: ING 1936 n2 pA11-A13, JCBG, TWG 2001 n2 p48-53, WT. (vdt089)
«
(Giethoorn 28 dec. 1900 - Colmschate 21 mei 1994), predikant, publicist. Studeerde, na in Den Haag het gymnasium te hebben doorlopen, theologie aan de UvA. Van jongs af een groot natuurliefhebber zijnde, was hij fel gekant tegen de inpolderingen in Noordwest-Overijssel in de eerste helft van de 20e eeuw. Trok in Friesland veel op met natuurvriend R.J.de Stoppelaar. Stond als doopsgezind predikant te Hindeloopen, Harlingen en Hilversum. Werkte mee aan diverse dag- en weekbladen en was toneelrecensent bij de AVRO. Schreef drie dichtbundels en boeken en artikelen over cultuur en natuur w.o. Het land van de eendenkooien (1929), Giethoorn, dorp tussen de Wieden (1980) en Overijssels Noordwesthoek; land van oude steden en wijde wieden (1984). Ref.: HM 2001 n3 p84, WWN1. (vdt090)
«
(Bergumerheide 18 sep. 1901 - Franeker 18 mrt. 1985), romanschrijver. Was aanvankelijk straatmaker, later journalist en kleinkunstenaar te Sneek, sinds 1957 te Diever. Populair schrijver van gedichten, toneelstukken en romans w.o. Springtij (3 dln.; 1958-1970), over het vissersdorp Wierum tijdens de stormramp van 1893. Verder het autobiografische Van gisteren naar vandaag (1974). Ref.: EF, EW, LML, LNA, WP8. (vdt091)
«
(Den Haag 27 okt. 1898 - Soest 25 jul. 1981), bioloog, natuurbeschermer. Vervulde, na in 1934 in Groningen te zijn afgestudeerd als bioloog, verschillende functies op het gebied van de natuurbescherming o.m. van 1947 tot 1963 als medewerker van het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie te Leiden. Promoveerde in 1954 te Leiden op een ornithologisch onderwerp. Schreef o.m. Griend, het vogeleiland in de Waddenzee (deels gebaseerd op gegevens van J.W.van Dieren; 1950). Ref.: IBV, WID6. (vdt092)
«
(Tjalleberd 1749 - Ternaard 12 mei 1830), predikant. Was zijn gehele werkzame leven predikant te Blija. Schreef enige theologische verhandelingen; daarnaast: Nasporingen betrekkelijk de geschiedenis der voormalige Middelzee in Friesland (met W.Eekhoff; 1831). Ref.: EF. (vdt093)
«
Titelblad van: Nieuw land : overzicht van onze landaanwinning / A.G. Bruggeman. - 's-Gravenhage: Daamen, 1951
(Rotterdam 21 feb. 1913 - Den Haag 11 mei 2005), ingenieur. Studeerde, na de opleiding weg- en waterbouwkunde aan de MTS in Utrecht, aan de TH in Delft waar hij in 1940 afstudeerde als civiel ingenieur. Werkte van 1941 tot 1978 bij de PWS van Zuid-Holland, laatstelijk als adjunct HID belast met waterkering en waterhuishouding. Was, na de stormvloedramp van 1953, nauw betrokken bij de dichting van het dijkgat bij Ouderkerk a/d IJssel en het dijkherstel op Goeree-Overflakkee. Schreef: Nieuw land; overzicht van onze landaanwinning (1951), Enige waterstaatkundige facetten van de afsluiting der zeegaten (met F.P. Mesu; 1954) en Veilig land; overzicht der Deltawerken (1960). Ref.: LW 1962 n6 p222. (vdt093a)
«
(Veendam 29 april 1896 - Rotterdam 26 november 1985), ingenieur. Trad na het behalen van zijn HBS-diploma in 1913 in het leger en studeerde in 1922 af als civiel ingenieur aan de TH in Delft. Sprak en bestudeerde zeer vele talen. Trad in 1924 in dienst van GW van Rotterdam en werd in 1945 directeur. Leidde ontwerp, bouw en realisatie van de Maastunnel te Rotterdam en schreef daarover o.m. De Maastunnel (1945). Was mede-oprichter en directeur van Nedeco in Den Haag. Vestigde zich in 1953 als raadgevend ingenieur te Rotterdam. Ref.: WT p172. (vdt094)
«
(roepnaam: Cor; Wormerveer 17 mei 1883 - Hilversum 16 nov. 1978), onderwijzer, schrijver. Was van 1906 tot 1916 onderwijzer en had een belangrijk aandeel in de onderwijsvernieuwing. Schreef vele jeugdboeken, schoolboekjes en streekromans. In De dijken breken (1936) beschreef hij de strijd tegen het water door de bevolking in Noord-Holland tijdens de stormvloedramp van 1916. Ref.: F.T.Bijlsma Cor Bruijn (1977), BJ79, HLR, LML, LNA, LNL, PVL, Waddenbulletin 1991 n1 p36-37, WP7. (vdt095)
«
(Rotterdam 18 juli 1896 - Wenum Wiesel 24 feb. 1977), ingenieur. Studeerde in 1922 af aan de TH in Delft. Werkte bij RWS, vele jaren bij de Directie Benedenrivieren, laatstelijk bij de Deltadienst als hoofd van de afdeling Deltawerken Noord. Schreef o.m. De afdamming van de Brielse Maas (1949-1951), De betekenis van de stormvloedkering aan de mond van de Hollandse IJssel (1957) en De afsluiting van het Haringvliet (1958). (vdt096)
«
(Leeuwarden 5 okt. 1805 - Leeuwarden 26 maart 1885), apotheker. Beoefende de scheikunde en botanie en leidde tientallen leerlingen op tot apotheker. Verrichtte in 1837 een reeks meteorologische waarnemingen te Leeuwarden. Schreef allerlei over de natuur, de meren en de geologie van Friesland w.o. Geologische beschouwing van het Rode Klif (1863). Ref.: EF, NBW9. (vdt097)
«
Brunings, Christiaan (1)
(neef van (2); Neckerau 3 nov. 1736 - Den Haag 16 mei 1805), waterbouwkundige. Als 'Inspecteur-Generaal van 's lands rivieren' kwamen sinds 1769 onder zijn leiding vele verbeteringen tot stand aan de grote rivieren. Behoorde, met Jan Blanken en Adriaan Goudriaan, tot de belangrijkste adviseurs van Koning Willem I op waterstaatkundig gebied. Schreef o.m.: Verzameling van rapporten, verbaalen en verdere stukken, betreffende de doorsnijdingen en werken, welke sedert de convertie van den jaare 1771 op de bovenrivieren, tusschen Emmerik en Arnhem zijn aangelegd ... (2dln., 1798). Zie ook: J.H.Ferrand. Ref.: M.Dendermonde De dijken (1957), GWG, GTW, JCBG, NBW1, P.van Schaik Christiaan Brunings 1736-1805; waterstaat in opkomst (1984), WND, WP7. (vdt098)
«
(neef van (1); Homburg 13 aug. 1756 - Leiden 30 maart 1826), opzichter. Was in dienst van het Hoogheemraadschap van Rijnland voor het kwartier van Spaarndam. Leidde de droogmaking van de Nieuwkoopse en Mijdrechtse Plassen en ontwierp, met A.Blanken, een plan voor droogmaking van de Zuidplas en de Waverveense Plassen. Schreef o.m. Verhandeling over den voordeligsten hoek, onder welken men de puntdeuren eener sluize kan zaamenvoegen (1797). Zie ook: A.de Geus. Ref.: JCBG, NBW1, WND. (vdt099)
«
Op het eiland; Langbroek op Marken / door M.J. Brusse ; ill. Wilm Wouters. - Rotterdam: Brusse, 1923
(Amsterdam 26 juni 1873 - Schoorl 6 jan. 1941), journalist, schrijver. Was sinds 1894 als redacteur verbonden aan de Nieuwe Rotterdamse Courant; schreef veel over maatschappelijke misstanden in de grote steden en op het platteland. Verder een aantal boeken over de werkende mens w.o. Een beschrijving van de leef- en werkomstandigheden van de biezensnijders, de griendwerkers, de rietsnijders, de kooilieden en de hoepmakers in de Biesbosch rond 1900 (1990) en Op het eiland; Langbroek op Marken (1923). Ref.: BWN2, HLR, LML, LNA, LNL, WP7. (vdt100)
«
Titelblad van het boek: Westergo’s IJsselmeerdijken / M.P. van Buijtenen en H.T. Obreen. – Bolsward: A.J. Osinga N.V, 1956
(Rotterdam 4 sep. 1911 - Utrecht 14 jan. 1997), archivaris, historicus. Was, na zijn studie wijsbegeerte en theologie aan een seminarium, tot 1945 wetenschappelijk ambtenaar bij de provinciale archiefinspectie in Noord-Brabant. Studeerde daarna rechten in Groningen en promoveerde in 1953 aan de UvA. Was sinds 1949 rijksarchivaris in Friesland; schreef belangrijke studies over de Friese geschiedenis en was lid van PS van Friesland. Was sinds 1963 rijksarchivaris in Utrecht. Schreef o.m. De Leppa, een rechtshistorisch-waterstaatkundige bijdrage (1944), De Fries-Groningse grens in Lauwerszee en Wadden (1954) en Westergo's IJsselmeerdijken (met H.T.Obreen; 1956). Ref.: EF, WID6. (vdt101)
«
Voorkant van boek: Beschouwingen over de afsluiting en het droogleggen der Zuiderzee / A. Buma. – Sneek: H. Pijttersen Tz., 1883
(Koudum 18 maart 1820 - Hindeloopen 29 nov. 1893), politicus. Was lid van PS en TK en in 1886, met P.J.G.van Diggelen, mede-oprichter en tot 1893 voorzitter van de Zuiderzeevereniging. Publiceerde Memorie van beantwoording van het voorlopig verslag ... 7 december 1882 ... omtrent de afsluiting en het droogleggen der Zuiderzee (1883). Zijn naam werd gegeven aan het gemaal van de Noordoostpolder bij Lemmer. Ref.: EF, GPZ, IAZ, NBW5, VJB, WG, ZJI, ZZP. (vdt102)
«
(Leeuwarden 8 mei 1828 - Den Haag 8 feb. 1900), jurist, burgemeester. Promoveerde te Leiden op Bijdrage tot de geschiedenis van het dijkregt in Friesland, inzonderheid met betrekking tot de contributie der Vijf Deelen (1853). Was burgemeester van Franeker en griffier van het Hof te Leeuwarden. Ref.: EF. (vdt103)
«
(Leeuwarden 11 okt. 1802 - Leeuwarden 10 sep. 1873), jurist. Studeerde rechten in Groningen en promoveerde aldaar in 1823. Was aanvankelijk werkzaam als advocaat te Leeuwarden, later president van het provinciaal gerechtshof. Maakte een omvangrijke bronnenstudie van o.m. de waterstaat en schreef diverse tijdschriftartikelen w.o. De Friese kust na de watervloed van 1825 (1873). Ref.: EF. (vdt104)
«
(Kampen 18 nov. 1862 - Rotterdam 13 dec. 1932), genie-officier, ingenieur. Diende, na in 1883 zijn opleiding aan de MA te Breda te hebben voltooid, tot 1888 bij het leger in NOI. Was van 1891 tot 1899 genie-officier in Haarlem, daarna adjunctdirecteur en van 1910 tot 1922 directeur van GW in Rotterdam als opvolger van G.J. de Jongh. Vervulde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de havens en oeververbindingen van Rotterdam. Werd voor zijn inzet na de overstroming van 13-14 Januari 1916 onderscheiden met de watersnood-medaille. Zijn meest bekende publicatie is het boekje Oeververbindingen te Rotterdam (1921). Ref.: ING 1922 (n3 p59 en n18 p355), ING 1933 n13 pA117-A118, NRC 28 april 1922. (vdt105)
«
(Dreischor 17 okt. 1899 - Utrecht 27 nov. 1991), ingenieur. Werkte, na in 1925 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, tot 1927 in Doetinchem en sindsdien bij RWS in Hoek van Holland, bij de aanleg van het Julianakanaal, in Utrecht, Den Haag, Leeuwarden en Groningen. Was sinds 1953 HID in de Directie Gelderland te Arnhem. Schreef enige tijdschriftartikelen w.o. Het Friese Kanalenplan (1949). Zie ook: F.Volker. Ref.: EF, WID6. (vdt106)
«
Titelblad van boek: Verslag van een studiereis naar Duitschland, welke voor een bezoek aan de Oost-Friesche Waddeneilanden en de zeearmen Eems en Jade in mei en juni 1931 werd ondernomen / J.F. Schönfeld, I.L. Kleinjan, J.H. van der Burgt en J.P. Mazure. - 's-Gravenhage: Algemeene Landsdrukkerij, 1933
(IJmuiden 3 juli 1897 - Leeuwarden 10 aug. 1977), ingenieur. Was, na in 1921 te zijn afgestudeerd aan de TH te Delft, werkzaam in verschillende functies bij RWS: te Roermond, Hoorn, Leeuwarden en Rotterdam. Daarna als HID in de directies Bovenrivieren, Noord-Holland, Zuid-Holland en sinds 1953 in Zeeland. Was, na de Februariramp van 1953, belast met de leiding van de Dienst Dijkherstel Zeeland. Schreef voornamelijk in technisch-wetenschappelijke tijdschriften, o.m. De kustverdediging langs het oostelijke deel van de Noordzee en in het bijzonder van Nederland (1933) en Veranderingen in den zeebodem van het Zeegat van het Vlie en in de kustlijn der Waddeneilanden Vlieland en Terschelling (1936) en een hoofdstuk in De Technische Vraagbaak deel W: Stranden en zeeduinen (1951). Vanuit historisch oogpunt interessant is: Het technische beheer van de Nederlandse kust en van het Nederlandse deel van het continentale plat (1968). Zie ook: C.T.C.Heyning. Ref.: ING 1977 p694, LW 1962 n4 p131, WID6. (vdt107)
«
(Neede 27 feb. 1918 - Enschede 10 mei 2000), journalist, publicist. Begon zijn journalistieke loopbaan in 1937 bij het Volksblad voor Twente. Was in de oorlogsjaren assistent van J.B. Bernink in diens museum Natura Docet. Werkte daarna voor diverse regionale bladen en sinds 1966 bij de Twentsche Courant. Was de eerste directeur van de Twentse academie voor streekcultuur, het tegenwoordige Van Deinse Instituut. Schreef talloze artikelen over de streekcultuur en natuur van Twente en de Achterhoek, was hoofdredacteur van het Jaarboek Twente en schreef diverse boeken w.o. Dit land van de IJssel (1976), Over Regge, Dinkel en Twentse beken (1977), Langs de Geul (1985) en Regge en Dinkel, land van levend water (1984). Zie ook: W.H.Dingeldein. Ref.: Twentsche Courant Tubantia 2000 11 mei. (vdt108)
«
(Kloetinge 10 okt. 1817 - Utrecht 3 feb. 1890; begraven op zijn landgoed De Dellen bij Heerde), fysicus, meteoroloog, hoogleraar. Werd in 1847 hoogleraar in de wiskunde, in 1867 ook in de natuurkunde te Utrecht. Was oprichter en eerste directeur van het KNMI te Utrecht, sinds 1897 in De Bilt. Publiceerde in 1867 over de naar hem genoemde wet betreffende de invloed van de draaiing van de aarde op de windrichting. Schreef vele artikelen over meteorologie maar ook over water, zoals Memorie betrekkelijk de waterstanden op de Nederlandsche rivieren (1869). Ref.: NBW1, HLR, WP7. (vdt109)
«