Home + Archief + Waterschrijvers
(roepnaam: Kees; Giessendam 13 juni 1899 - Giessendam 31 dec.
1976), romanschrijver. Begon als hoepmaker, schreef na 1920 korte
verhalen voor De Rotterdammer, Timotheus en De
Spiegel. Sinds 1934 schrijver van dichterlijke, humoristisch
getinte romans over de streekgeschiedenis en het leven en werk in -
en om de Alblasserwaard. Schreef o.m. Een lied van den
Biesbosch (1944), Moddergeuzen (over het leven aan
boord van de baggermolens; 1950), In de greep van de
waterwolf (1953), Waterpolitie (1957), De ruige
Biesbosch (1979) en de fotoboeken Langs Merwede en Giessen
(1962) en Tussen Noord en Lek, het land van de molens
(1963). Ref.: A.C.Baardman C.Baardman, de schrijver en zijn
werk (1997). (vdt011)
«
Eerste pagina van artikel: Het dijkherstel onder leiding van de Staten van Holland / C. Baars. - TIJD In: Waterschapsbelangen. - GEG: 74 (1989) 6 (22 maart). - p. 196-204
(Simonshaven gem. Geervliet 22 sep. 1909 - Wageningen 14 feb.
1994), bosbouwkundig ingenieur, waterstaatshistoricus. Werkte, na
in 1935 te zijn afgestudeerd in de Nederlandse en koloniale bosbouw
aan de LHS te Wageningen, van 1937 tot 1951 als houtvester in NOI.
Was daarna werkzaam bij het Centraal Inst. voor Landbouwkundig
Onderzoek te Wageningen en van 1969 tot 1974 bij de LHS als
medewerker van de afdeling Weg- en Waterbouwkunde en Irrigatie.
Verrichtte veel historisch-geografisch onderzoek en promoveerde in
1973 te Wageningen op: De geschiedenis van de landbouw in de
Beijerlanden. Schreef twintig artikelen over o.m. de
geschiedenis van bedijking en landaanwinning zoals: Bedijking
van het Deltagebied (16e-17e eeuw) (1977), De
paalwormfurie van 1731/32 en de schade aan de Westfriese
Zeedijk (1988-1990) en Het dijkherstel onder leiding van
de Staten van Holland (1989). Ref.: C. en J.Baars De
familie Baars uit Oud-Beijerland in de Hoeksche Waard
1590-1995, 1995. (vdt012)
«
Bakhuizen van den Brink, Reinier Cornelis
(Amsterdam 28 feb. 1810 - Den Haag 15 juli 1865), archivaris,
letterkundige. Studeerde theologie en letteren in Amsterdam en
promoveerde in 1842 in Leiden. Was mede-oprichter van De
Gids. Werkte enige jaren in buitenlandse archieven en was van
1854 tot zijn dood algemeen rijksarchivaris. Heeft de historische
wetenschap vernieuwd en op hoger peil gebracht. Naast zijn
voortreffelijke werken over de algemene geschiedenis van ons land
noemen we het artikel Voorstel aangaande eene geschiedenis van
den Nederlandschen waterstaat (1856). Zie ook: L.Ph.C.van den
Bergh. Ref.: HSE, LNL, NBW7, WP7. (vdt013)
«
(Rotterdam 21 juli 1906 - Huizen 7 april 1969), cartograaf,
fysisch-geograaf, hoogleraar. Studeerde fysische geografie en
geologie te Utrecht, Frankfurt am Main en Delft; promoveerde in de
wis- en natuurkunde te Utrecht. Was leraar te Breda, later
hoogleraar in de fysische geografie aan de UvA en directeur van het
Fysisch Geografisch Laboratorium aldaar. Schreef o.m.
Morfologisch onderzoek van Barradeel en zijn betekenis voor het
inzicht in de subatlantische transgressie en het
verspreidingsgebied der terpen (1949) en Opmerkingen over
de betekenis van de fysische geografie en de bodemkunde voor de
historische geografie van het Nederlandse kustgebied (1958).
Schreef daarnaast een aantal biografieën. Ref.: BJ70, HJ, WID5-6.
(vdt014)
«
(Drieborg 28 feb. 1862 - Scheemda 21 feb. 1932), boekhandelaar.
Schreef: Stormvloeden! Uit de oude kronieken bijeenvergaard en
breedvoerig omschreven, vanaf 1625 t/m maart 1906, alsmede
beschrijving omtrent het ontstaan van De Dollard (1906)
(vdt014a).
«
(roepnaam: Piet; Rotterdam 10 aug. 1897 - Amsterdam 1 april
1960), journalist, schrijver. Begon zijn loopbaan als onderwijzer
maar werd weldra journalist, eerst bij De Telegraaf, later
bij Het Volk, Het Vrije Volk en Elseviers
Weekblad. Schreef, in vertellende trant met veel sociaal
gevoel, boeken over ons land en volk zoals Holland, ze zeggen
je bent maar zoo klein (1941), Storm op de kust
(1942) en Wij en het water (4 dln.). Ref.: BJ61, EW, LML,
LNA, LNL, WID5-6, WP7. (vdt015)
«
(roepnaam: Willem; Dubbeldam 15 juli 1890 - Den Haag 14 jan.
1984), commercieel adviseur, publicist. Studeerde rechten en
promoveerde in Leiden. Was in dienst van de Kon. Hollandsche Lloyd
in Zuid Amerika. Behartigde internationale scheepvaart- en
handelsbelangen in Spaans- en Portugeestalige landen. Reeds vanaf
1913 zeer productief als schrijver van boeken op
economisch-geografisch en cultuurhistorisch gebied. Voorts over
ontginnings-, landinrichtings- en werkverschaffingsprojecten in de
jaren dertig, zoals Het werkende land; opbouw van Nederland in
moeilijke tijden (1936) en De Gulden Spade
(gedenkboek 50 jaar Ned. Heidemij.; 1937). Ref.: WID5-6, WWN63.
(vdt016)
«
(roepnaam: Jaap; Oosterleek gem. Wijdenes 29 jan. 1912 -
Amsterdam 10 sep. 1995), journalist, schrijver. Was sinds 1935
werkzaam als journalist bij het Algemeen Handelsblad en
sinds 1970 bij NRC Handelsblad. Schreef daarnaast een
aantal boeken met toeristische informatie over het Nederlandse
landschap en monumenten w.o. Kijk op molens (1979),
Shell-journaal van Nederlandse bruggen (1980),
Nederland van water tot land (1981) en Onze
havens (1985). Ref.: WWN1. (vdt017)
«
(Rotterdam 18 april 1875 - Wageningen 6 febr. 1933), geoloog,
hoogleraar, natuurbeschermer. Leraar, later hoogleraar te
Wageningen; grondlegger van de agrogeologie. Waarschuwde voor de
teloorgang van het landschap door grootschalige ontginning en
ijverde voor het behoud van natuurhistorisch en geologisch
karakteristieke landschappen. Schreef o.m. De bodem van
Nederland (2 dln., 1907-1927), de biografie Winand Carel
Hugo Staring en zijn betekenis voor de geologie van ons
vaderland (1908) en, met Jac.P.Thijsse, Het eiland Griend
in 1912 (1913). Zie ook: C.H.Edelman. Ref.: HGT 1990 n2
p48-53, ING 1933 n19 pA169, WP7. (vdt018)
«
(Hilversum 9 okt. 1906 - Heemstede 1 feb. 1996), entomoloog,
hoogleraar. Studeerde in 1929 als bioloog af aan de UvA en
promoveerde aldaar in 1932 in de zoölogie. Was van 1932 tot 1970
werkzaam bij het Zoölogisch Laboratorium van de UvA, daarna als
hoogleraar in de algemene dierkunde. Geïnspireerd door de natuur
rond Kampen, waar hij zijn jeugd doorbracht, schreef hij samen met
oud-studiegenoot en collega-entomoloog G.Kruseman het bekende boek
De glorie van ons polderland (1938). Ref.: Bijdragen
tot de dierkunde 1977 n2. (vdt019)
«
(Ritthem 11 febr. 1902 - Serooskerke 24 okt. 1987),
waterbouwkundige. Was werkzaam bij RWS in Haarlem en redactielid
van het tijdschrift OTAR. Schreef daarin o.m.: De
zeedijk van zijn ontstaan tot het jaar 1730 (1961), De
zeedijk van 1730 tot 1900 (1962) en Hadden de Zeeuwse
bergjes een waterbouwkundige dan wel militaire betekenis?
(1973). Bewerkte het tweede deel van de 7e druk (1968) van het
leerboek Waterbouwkunde door M.B.N.Bolderman en
A.W.C.Dwars. Ref.: OTAR 1988 n6 p206. (vdt020)
«
(roepnaam: Mart; Gorinchem 30 juli 1691 - Gorinchem 17 jan.
1775), burgemeester. Heeft zich als burgemeester van Gorinchem
tevens verdienstelijk gemaakt met plannen en adviezen om
rivieroverstromingen te voorkomen, vooral door de aanleg van
regulerende werken en overlaten. Schreef daarover o.m.
Rivierkundige waarnemingen uit ondervinding opgemaakt, dienstig
tot het bepaalen van middelen ter voorkoming van overstroomingen
der aangelegenste rivieren in Gelderland en Holland (1773).
Ref.: NBW7. (vdt021)
«
Voorkant van boek: Zuiderzeeland: Nieuw Land in wording / K.A. Bazlen- Amsterdam: N.V. Uitgeversmaat- schappij Diligentia, 1952
(Zürich in Zwitserland 20 mei 1903 - Den Haag 21 feb. 1987),
ingenieur. Studeerde na zijn opleiding aan de TH te Stuttgart in
1927 af aan de TH in Delft. Was daarna tot 1962 werkzaam bij de
Dienst der ZZW in Den Haag. Schreef o.m. Zuiderzeeland; nieuw
land in wording (1952) en technisch-wetenschappelijke
artikelen in de vaktijdschriften w.o. Vijfentwintig jaar
Afsluitdijk (1957). Ref.: LW 1962 n3 p88. (vdt022)
«
Voorkant van: Veranderingen in de flora en fauna van de Zuiderzee (thans IJsselmeer) na de afsluiting in 1932: verslag van de onderzoekingen, ingesteld door de Zuiderzee-commissie der Nederlandse Dierkundige Vereniging/ onder red. van L.F. de Beaufort ; m.m.v. W.S.S. van Benthem Jutting ... [et al.]. - Den Helder: De Boer, 1954
(Leusden 23 maart 1879 - Amersfoort 11 mei 1968), zoöloog,
hoogleraar. Nam, tijdens zijn studie biologie in Amsterdam, als
zoöloog deel aan de Nederlands Nieuw Guinea-expeditie in 1902-1903.
Promoveerde in 1908 aan de UvA en was sinds 1922 directeur van het
Zoölogisch Museum en sinds 1929 buitengewoon hoogleraar in de
zoögeografie te Amsterdam. Verrichtte zeer verdienstelijk werk voor
de ornithologie in Nederland. Schreef vele boeken over het leven in
zee w.o. Veranderingen in de flora en fauna van de Zuiderzee
(thans IJsselmeer) na de afsluiting in 1932 (1954). Was (van
1942 tot 1961) voorzitter van de Gemeentelijke Commissie Heemkennis
Amsterdam en erelid van de KNAW. Ref.: BJ69, IBV, Ons
Amsterdam 1962 n1 p1 en 1968 n6 p161, PKN, WID5-6, WWN63.
(vdt023)
«
(Kampen 1 sep. 1903 - Vaals 22 dec. 1999),
ingenieur. Werkte, na in 1926 te zijn afgestudeerd aan de TH in
Delft, bij RWS in de directie Utrecht, daarna Noord-Holland. Als
laatste was hij HID van de directie Limburg in Maastricht. Schreef
onder meer: Verslag van de beproeving der voorhavendijken van
de schutsluis te Vreeswijk (met W.H. Brinkhorst; 1943),
Het Zeegat van Texel en de aangrenzende oevers (1953) en
De Maasverbeteringswerken nu en in de toekomst (1962).
(vdt023a)
«
(Amsterdam 5 jan. 1854 - Den Haag 23 mei 1947), genie-officier,
leraar, historisch-geograaf. Werkte, na in 1873 te zijn
afgestudeerd aan de KMA in Breda, als genie-officier bij de aanleg
van de Nieuwe Hollandsche Waterlinie. Nam in 1879 ontslag en werd
leraar te Zutphen, aanvankelijk in de wiskunde, later in de
aardrijkskunde. Schreef een aantal schetsen en novellen. Werd met
Nederland als polderland (1884, herzien in 1914 en 1932)
de grondlegger van de historische geografie in Nederland en heeft
daarmee in belangrijke mate bijgedragen aan het huidige inzicht in
de waterstaatkundige ontwikkeling van ons land. Was een warm
voorstander van afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee. Met
R.Schuiling kreeg hij grote bekendheid door zijn schoolatlas. Van
zijn vele publikaties noemen we: De strijd om het bestaan;
geschiedenis en tegenwoordige staat van de lage gronden van
Nederland (1887), Het dijk- en waterschapsrecht in
Nederland vóór 1795 (2 dln.; 1905-1907), Polders en
droogmakerijen (2 dln.; 1909-1912), Onze
waterkeeringen (1911), zijn levenswerk: Geschiedkundige
atlas van Nederland (met P.J.Blok e.a.; 40 dln., 1913-1938),
De afsluiting en droogmaking der Zuiderzee (1917),
Lijst der aardrijkskundige namen van Nederland (1936) en
zijn laatste werk De wateren van Nederland (postume
uitgave; 1948). Beekman was bestuurslid van het KNAG, sinds 1923
erelid, daarnaast redacteur van het TKNAG. Zie ook: L.Ph.C.van den
Bergh. Ref.: AWN3, BWN3, HJ, SGN, TKNAG 1947 p409, WG, WP7, WVG,
ZJI. (vdt0024)
«
(Groningen 11 okt. 1778 - Groningen 6 jan. 1835), ingenieur. Was
opzichter, later ingenieur bij de waterstaat in Den Briel.
Voorstander van overlaten als middel ter voorkoming van
rivieroverstromingen. Werd overgeplaatst naar Assen, later naar
Groningen; uit die tijd dateert: Verhandeling over het
vervaardigen van een kanaal in de provincie Drenthe (1835).
Ref.: JCBG, NBW4. (vdt025)
«
(Witmarsum 22 apr. 1884 - Haarlem 4 nov. 1974), ingenieur,
hoogleraar. Werkte, na in 1907 te zijn afgestudeerd aan de TH in
Delft, tot 1933 bij de waterstaat in NOI. Was van 1938 tot 1954
hoogleraar irrigatie en waterkracht aan de TH in Delft. Schreef
slechts enkele collegedictaten en artikelen in De
Waterstaatsingenieur w.o. Toepassing van de
waarschijnlijkheidsleer op hydrologische waarnemingen (1931).
Ref.: ING 1974 n49 p974, WID5-6, WND. (vdt026)
«
(Rotterdam 29 juni 1859 - Delft 30 jan. 1937), ingenieur,
hoogleraar. Werkte, na zijn studie aan de PS te Delft, bij RWS in
Nijmegen, Den Haag, Gorinchem, Hoek van Holland, Maastricht, Den
Haag, Hoorn en Den Bosch. Was van 1900 tot 1924 hoogleraar
waterbouwkunde aan de PS (sinds 1905 TH) in Delft en was van 1913
tot 1916 rector magnificus. Daarnaast was hij van 1918 tot 1923 lid
van de Staatscommissie Zuiderzee en van 1919 tot 1923 van de
Zuiderzeeraad. Een slepende ziekte bepaalde sindsdien zijn verdere
leven. Hij schreef o.m. Verbetering van den Maasmond
(1897) en Nederland in den strijd tegen het water (1913).
Ref.: ING 1937 n10 pA79-A81, WND. (vdt027)
«
Titelblad van boek: Gedenkboek van Neerlands watersnood, in Februarij 1825 / J.C. Beijer. - 's-Gravenhage: J. Immerzeel, junior, 1826
(Schiedam 9 okt. 1786 - Den Haag 28 dec. 1866), onderwijzer,
schilder. Was onderwijzer in Delft en Breda, hoofdonderwijzer in
Den Haag. Was, naast zijn eigenlijke beroep, een erkend
amateurschilder van marines en landschappen. Schreef het uitvoerige
Gedenkboek van Neerlands watersnood in Februarij 1825
(1826, 2 dln.). Ref.: NBK.(vdt028)
«
(ca. 1720 - na 1783), landmeter. Door jarenlange ervaring met
afvoermetingen op de grote rivieren ook wel als rivieringenieur
beschouwd. Schreef o.m. De rivierkundige verhandeling van
Cornelis Velsen van verscheide misvattingen gesuijverd voornamelijk
betrekkelijk het Pannerdensch Canaal (1770). Ref.: JCBG, NBW1.
(vdt029)
«
Beijerinck, Jan Anne
(Lent 4 dec. 1800 - Den Haag 26 maart 1874), ingenieur. Begon
als assistent van Jan Blanken bij de aanleg van het Noordhollands
Kanaal. Had een belangrijk aandeel in de totstandkoming van de
Zuidplaspolder en de Haarlemmermeer, waarvan de drie gemalen door
hem werden ontworpen (1849-1852). Publiceerde o.m. Geschied- en
waterbouwkundige beschrijving der droogmaking van den
Zuidplaspolder in Schieland (1852) en Proeve van een
ontwerp tot afsluiten, indijken, droogmaken en in cultuur brengen
van een gedeelte der Zuiderzee (1866). Sloot zijn loopbaan af
als hoofdinspecteur van de waterstaat. Zie ook: N.J.van der Lee,
H.Linse. Ref.: GPZ, JCBG, TWG 1994 n2 p44, WG, WP7, WVG.
(vdt030)
«
(Lent 4 april 1787 - Hoorn 7 dec. 1854), landmeter, ingenieur.
Vervulde bij de waterstaat verschillende functies vanuit diverse
standplaatsen: Kampen, Arnhem, Nijmegen, Zwolle en Den Haag.
Verrichtte afvoermetingen op de grote rivieren en publiceerde:
Onderzoek aangaande de theorieën omtrent de beweging des waters
in kanalen, of de vermogens der rivieren, welke het noordelijk
gedeelte der Nederlanden doorstroomen (1829). Ref.: JCBG,
NBW1. (vdt031)
«
(Utrecht 3 juli 1891 - Assen 8 feb. 1960), bioloog,
natuurbeschermer. Gaf, na zijn studie aan de LHS te Wageningen, tot
1926 leiding aan een boerenbedrijf te Wijster. Verrichtte daarnaast
onderzoek naar de natuur, met name van plankton in heideplassen en
publiceerde daarover in De Levende Natuur. Promoveerde in
1927 te Wageningen op Over verspreiding en periodiciteit van de
zoetwaterwieren in Drentsche heideplassen. Beijerinck ijverde
voor het behoud van typisch Drentse biotopen. Het door hem in 1933
opgerichte Biologische Station te Wijster werd in 1956 door de LHS
te Wageningen overgenomen. In 1965 werd uit zijn nalatenschap het
Beijerinck-Poppingafonds opgericht. Ref.: BWN1, PKN, WID5-6.
(vdt032)
«
(zoon van M.G.Beijerinck; Zwolle 25 dec. 1828 - Hees 24 nov.
1894), ingenieur. Werd, na het volgen van lager en middelbaar
onderwijs in Den Haag, als opzichter onder zijn oom J.A.Beijerinck
bij RWS in dienst gesteld bij de droogmaking van het
Haarlemmermeer, in het bijzonder bij de bouw van het stoomgemaal
Cruquius. Werkte van 1856 tot 1887 bij Atlas te Amsterdam als
deskundige op het gebied van de stoombemaling, sinds 1863 als
directeur. Richtte in 1875 met J.C.de Leeuw een ingenieursbureau op
voor stoombemaling van polders in binnen- en buitenland. Schreef
Bemaling der middel- en binnendijksche buitenveldersche
polders (met J.C.de Leeuw; 1875). Ref.: JCBG, NBW1.
(vdt033)
«
(Sluis 13 dec. 1845 - Doetinchem 26 feb. 1928), ingenieur.
Werkte bij RWS met verschillende standplaatsen en doorliep alle
rangen tot en met die van IG. Ontwierp o.m. het schepradstoomgemaal
te Schellingwoude en gold in zijn tijd als één der meest
toonaangevende ingenieurs. Van zijn publikaties noemen we slechts:
Nota omtrent de metingen van het vermogen der rivier de Dommel
en hare nevenrivieren (met W.Verweij; 1870) en Iets over
den invloed der afdamming van het Sloe op de Zeeuwsche
stroomen (1873). Ref.: ING 1925 n50 p1066, ING 1928 n10 pA694.
(vdt034)
«
Titelblad van boek: Het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland 1544-1944 / J. Belonje. - Wormerveer: Meijer, 1945
(Alkmaar 17 juni 1899 - Leiden 22 nov. 1996), jurist,
waterstaatshistoricus, publicist. Studeerde rechten te Leiden en
promoveerde aldaar in 1933 op De Zijpe en Hazepolder. Was werkzaam
als advocaat, leraar, waterschapssecretaris en bankier. Was van
1937 tot 1957 secretaris van het Hoogheemraadschap van de
Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West Friesland. Naast
diverse maatschappelijke activiteiten was hij redacteur van De
Navorscher en schreef zeer veel op het gebied van de
genealogie, heraldiek, monumentenbescherming en waterstaat w.o.
Sluizenbouw voor 300 jaar (1927), De Heer Hugowaard
1629-1929; een geschiedenis van den polder (1929), De
Schermeer 1633-1933 (1933) en Het Hoogheemraadschap van de
uitwaterende sluizen in Kennemerland en West Friesland
1544-1944 (1945). Ref.: PKN, WID5-6, WWN63. (vdt035)
«
Prof.dr. J.M. van Bemmelen heeft in 1880 verslag uitgebracht van de Commissie uit de Waterschappen in Noord-Holland omtrent het landbouwscheikundig onderzoek van de bodem van de Wieringermeer. Op grond van een waardevol onderzoek is aan de proefboerderij in de Wieringermeer de naam gegeven "de prof.dr. J.M. van Bemmelenhoeve".
(Almelo 3 nov. 1830 - Leiden 13 mrt. 1911), bodemscheikundige,
hoogleraar. Studeerde scheikunde en promoveerde in 1854 cum laude
te Leiden. Was vanaf 1856 werkzaam als leraar schei- en natuurkunde
te Groningen, later in Arnhem. Had grote belangstelling voor de
landbouwscheikunde en analyseerde de samenstelling van
bodemmonsters uit de Zuiderzee en diverse zeepolders. Was van 1874
tot 1901 hoogleraar in de anorganische scheikunde te Leiden. Wordt
beschouwd als de grondlegger van de bodemscheikunde en
colloïdchemie in Nederland. Publiceerde daarnaast ook over de
geologie en archeologie van ons land, zoals in: Beschouwing
over het tegenwoordig standpunt onzer kennis van de Nederlandsche
terpen (1908), Aanteekening omtrent de daling van den
Nederlandschen bodem (1909) en Rapporten met betrekking
tot de bodemgesteldheid van de Wieringermeer en van den Andijker
proefpolder (2 dln.; 1929). Ref.: BWN1, SGN, WP7, WWN63.
(vdt036)
«
(Oostburg 1 jan. 1911 - Doorn 14 mei 1989), ingenieur,
hoogleraar. Werkte, na in 1936 te zijn afgestudeerd aan de TH in
Delft, twee jaar bij het WL en tot 1956 bij RWS, laatstelijk bij de
directie Bovenrivieren te Arnhem. Was van 1956 tot 1975 hoogleraar
waterbouwkunde aan de TH in Delft. Schreef o.m.
Meetinstrumenten in rivieren (1951), De rivier
(inaugurele rede; 1956), enkele collegedictaten w.o. Algemene
waterbouwkunde (2 dln.; 1967) en redigeerde Principles of
river engineering (met P.Ph.Jansen en J.van den Berg; 1979,
herdrukt in 1994). Ref.: WWN63. (vdt037)
«
(Meester Cornelis NOI 6 mei 1876 - Apeldoorn 27 sep. 1964),
ingenieur. Was, na in 1900 te zijn afgestudeerd aan de PS te Delft,
tot 1909 werkzaam bij de Algemene Dienst van RWS. Paste door
harmonische analyse een bewerking toe op getijgegevens van de
Nederlandse kust en benedenrivieren. Werkte tot 1931 in NOI en van
1935 tot 1941 als hoofdingenieur bij de Algemene Dienst van RWS in
Den Haag. Schreef o.m. Getijkrommen van plaatsen aan de
Nederlandsche kust en benedenrivieren (1911). Ref.: ING 1964
n44 pA669. (vdt038)
«
(Wijnjeterp gem. Opsterland 4 aug. 1905 - Enschede 14 okt.
1984), sociaal-geograaf, leraar. Studeerde sociale geografie en
promoveerde in Utrecht op Het laagveengebied van Friesland
(1933). Was leraar aardrijkskunde, later rector van een lyceum in
Enschede. (vdt039)
«
(Langerak 20 aug. 1880 - Brummen 27 juni 1952), predikant,
publicist. Studeerde theologie en promoveerde in 1914 te Utrecht.
Was van 1904 tot 1944 hervormd predikant te Nijeveen. Had grote
belangstelling voor volkskunde en regionale geschiedenis. Was
bestuurslid van het Provinciaal Museum in Assen, redacteur van de
Nieuwe Drentse Volksalmanak en mede-oprichter van het
Drents Genootschap. Schreef vele tijdschriftartikelen en bijdragen
aan boeken over plattelandscultuur met historische, culturele en
religieuze achtergrond zoals Land en Volk van de
Noordwesthoek (1948). Ref.: BLP2, J.Linthorst Homan In
memoriam Dr.P.W.J. van den Berg (1953), R.D.Mulder In
memoriam dr.P.W.J.van den Berg(1952). (vdt040)
«
(Düsseldorf 20 juni 1805 - Den Haag 17 sept. 1887), jurist,
taalkundige, archivaris, historicus. Studeerde rechten en
promoveerde in 1830 in Utrecht. Verrichtte baanbrekend werk op het
gebied van de taal en dialectologie, volkskunde, geschiedenis,
topografie en de onderlinge samenhang daarin. Volgde in 1865
R.C.Bakhuizen van den Brink op als algemeen rijksarchivaris.
Schreef o.m. Handboek der Middelnederlandsche geographie
(1852; herzien in 1872 en 1949 door A.A.Beekman en H.J.Moerman) en
Oorkondenboek van Holland en Zeeland, tot 1299 (2 dln.,
1866-1873). Daarnaast ook artikelen op waterstaatkundig gebied
zoals De Nederlandsche wateren vóór de 12e eeuw (1852) en
Nog iets over den Rijnmond bij Petten (1854). Ref.: Die
Haghe 1930 p26, NBW4, WP7. (vdt041)
«
(roepnaam: Gait; Kampen 3 apr. 1927 - Kampen 17 apr. 2006),
schrijver, cineast, fotograaf. Kwam, na een studie biologie en
psychologie in Amsterdam, terecht in de wereld van foto, film en
publiciteit. Schreef sinds 1966 over natuur en de oude scheepvaart,
waaronder de boeken: Zij leefden van water (1971) en
De Punter (1984). Ref.: F.D. Zeiler. De veelzijdigheid
van Gait Berk (2009). (vdt041a)
«
(Denekamp 24 jan. 1878 - Denekamp 18 apr. 1954), onderwijzer,
natuurkenner. Bezocht de Rijksnormaalschool te Oldenzaal en was van
1897 tot 1938 onderwijzer aan de dorpsschool te Denekamp.
Verzamelde, prepareerde en conserveerde vanaf zijn twaalfde
voorwerpen uit de natuur en opende daarmee in 1911 het
natuurhistorisch museum Natura Docet te Denekamp. Had als zinspreuk
'aanschouwen doet leren'. Trok veel op met E.Heimans; samen
verwierven zij in de eerste helft van de 20e eeuw een grote naam in
de opwekkingsbeweging voor natuurbescherming. Werd in 1946 benoemd
als erelid van de KNNV. Schreef vooral over de natuur en bodem van
Twente w.o. Ons Dinkelland (1916). Zie ook: A.Buter. Ref.:
IBV, OB2, TJ. (vdt042)
«
(roepnaam: Herman; Rotterdam 29 april 1904 - Amsterdam 11 april
1994), journalist, schrijver. Bezocht in zijn geboorteplaats het
gymnasium en werd journalist bij het Rotterdams
Nieuwsblad. Sinds 1948 maakte hij deel uit van de redactie van
het Algemeen Handelsblad te Amsterdam waarvoor hij, naast
talloze reportages, de reisrubriek In de Gloed van de
Globe verzorgde. Schreef romans, een novelle, diverse
reisgidsen en enkele boeken w.o. Molens van Nederland
(1974) en Langs oude en nieuwe wegen (1981). Ref.: WWN1.
(vdt043)
«
Eerste pagina van artikel: Bestek opmaken voor de openbare watervoorziening / C. Biemond. - {s.l.]: [s.n.}, [s.a.]. - land en water jrg. 1 (1957). - maart p. 51-52
(roepnaam: Cees; Amsterdam 16 apr. 1899 - Leiden 28 aug. 1980),
ingenieur. Werkte, na in 1923 te zijn afgestudeerd aan de TH in
Delft, tot 1937 bij PW van Amsterdam. Gaf leiding aan de bouw van
vele bruggen w.o. de Berlagebrug. Was lid van de Zuiderzeeraad en
betrokken bij het ontwerp van het Amsterdam-Rijnkanaal. Was van
1937 tot 1964 directeur van Gemeentewaterleidingen Amsterdam en van
de Watertransportmij. Rijn-Kennemerland. Schreef n.a.v. de
Februariramp een kritisch artikel in De Groene
Amsterdammer (14 feb. 1953). Voorts: o.m. De
watervoorziening van Amsterdam (1940), Water (1968)
en Zevenhonderd jaar watervoorziening van Amsterdam
(1968). Ref.: CPE, H2O 1980 n19 p471 e.v., PKN, WID5-6, WWN63.
(vdt044)
«
(Batavia NOI 16 nov. 1909 - Apeldoorn 4 juni
2005), ingenieur. Na in 1933 te zijn afgestudeerd aan de TH in
Bandung, werkte hij in NOI bij de Hollandsche Beton Mij. Was sinds
1940 in dienst van RWS, tot 1956 bij de afdeling Dijksverhogingen,
in 1944 en 1945 bij de Dienst Droogmaking Walcheren. Van 1957 tot
1961 was hij als hoofd van de afdeling Werken van het
Drie-Eilandenplan te Goes belast met de afsluiting van de Zandkreek
en het Veerse Gat. Daarna was hij tot 1975 hoofd van de afdeling
Afsluitingswerken van de Deltadienst. Van zijn publicaties noemen
we: Deltadammen in Zeeland (1967). Ref.: LW 1961 n4 p138,
LW 1975 n6 p36. (vdt044a)
«
Titelblad van: Boerderijen/ samengest. door Koen Limperg, architect Groep "De 8" en W. van Gelderen, architect "Opbouw"; m.m.v. de Directie van de Wieringermeer; bijdr. Koen Limperg ... [et al.]. - Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, [1938]. - bevat o.a. J.T.P. Bijhouwer, Het boerenerf; Kaarten van de Wieringermeer
(Amsterdam 15 nov. 1898 - Wageningen 22 aug. 1974),
landschapsarchitect, hoogleraar. Studeerde in 1921 cum laude af aan
de LHS te Wageningen en promoveerde op Geobotanische studie van
de Berger duinen (1926). Werkte, na enige studiereizen naar de
VS, bij de Dienst Stadsontwikkeling in Rotterdam en van 1933 tot
1939 als adviseur voor de beplanting van de Wieringermeer. Was
daarna docent, lector en sinds 1946 hoogleraar in de tuin- en
landschapsarchitectuur te Wageningen en aan de TH in Delft. Schreef
diverse artikelen en rapporten w.o. Algemeen plan voor de
verbetering van de uitgeveende gronden in het Land van
Vollenhove (met D.I.Luteijn en J.A.G.van der Steur; 1943).
Zijn boek Het Nederlandsche landschap en zijn oude
ontginningen (1944) werd postuum herzien tot Het
Nederlandse Landschap (1977). Ref.: HM 2001 n3 p86, WID5-6,
WWN63. (vdt045)
«
Artikel: Het grondwater in Rijnland / J.G. Bijl UIT: Nieuwe verhandelingen van het Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke wijsbegeerte. - Rotterdam: Bataafsch Genootschap, 1930
(Amsterdam 26 juli 1881 - Haarlem 22 aug. 1939), ingenieur.
Werkte, na zijn studie aan de TH in Aken en Delft, tien jaar in de
Haarlemmermeer bij de aanleg van de spoorlijn
Haarlem-Hoofddorp-Aalsmeer en Hoofddorp-Leiden, daarna als
polderingenieur. Schreef o.m. De Haarlemmermeerpolder
(1927) en Polderproblemen in de loop van drie eeuwen
(1933). IJverde voor inrichting van het v.m. stoomgemaal Cruquius
als poldermuseum (1936). Ref.: ING 1939 pA349-A350. (vdt046)
«
(meestal geschreven als: Byvanck; Leiden 4 juli 1884 - Leiden 16
aug. 1970), archeoloog, historicus. Medewerker KB, hoogleraar
archeologie en oude geschiedenis te Leiden. Beoefende de
archeologie vanuit de literatuur en niet in het veld; bekleedde
diverse bestuurlijke functies. Schreef o.m. De voorgeschiedenis
van Nederland (1942) en Nederland in den Romeinschen
tijd (1943). Ref.: BJ71, BWN4, NGL, WH 1970 p202, WID5-6.
(vdt047)
«
(roepnaam: Piet; Rotterdam 14 juli 1914 - Den Haag 1 jan. 1992),
journalist. Schreef als freelance journalist over landschapsschoon
en toerisme in eigen land. Verzorgde fotoboeken en gaf lezingen om
het binnenlands toerisme te propageren. Woonde en werkte in het
midden van de vorige eeuw te Leeuwarden, waar hij directeur van de
Provinciale Friese VVV was, daarna in Den Haag. Schreef o.m.
Frieslands strijd tegen het water (1949),
Fries-Groningse kanalen; de moderne scheepvaartverbinding
tussen het noorden en het westen van Nederland (1951), de
bekende Prisma-toeristengids (2 dln., 1965) en Kijk op
Zeeland (met foto´s van Kees Scherer; 1977). (vdt047a)
«
(vader van de bekende cartograaf Joan Blaeu; Alkmaar of Uitgeest
1571 - Amsterdam 21 okt. 1638), cartograaf, drukker, uitgever.
Verwierf grote bekendheid door kaartboeken en atlassen w.o. Het
licht der Zeevaert (1608) en De Zeespiegel (1624).
Ref.: NBW10, NGL. (vdt048)
«
(broer van Jan Blanken; Haastrecht 11 juli 1766 - Gouda 3 mei
1824), landmeter, ingenieur. Had bij de waterstaat de leiding over
het beheer van de vestingwerken van Nieuwersluis tot Muiden, het
herstel van de grote zeesluis te Muiden, de vervening van de
Krimpenerwaard en ontwierp plannen tot droogmaking van de
Haarlemmermeer en afsluiting van de Hollandse IJssel. Schreef als
hoofdingenieur van Zuid-Holland, met F.W.Conrad Sr. en S.Kros,
Rapport wegens het onderzoek omtrent eene uitwatering te Catwyk
aan Zee (1803). Zie ook: C.Brunings (2), I.P.Delprat. Ref.:
JCBG, NBW1. (vdt049)
«
Blanken, Jan
(Bergambacht 15 nov. 1755 - Vianen 17 juli 1838),
waterbouwkundige. Legde zich vooral toe op het ontwerp van
kunstwerken voor de landsverdediging. Was van 1808-1827 IG van de
Waterstaat en was voorstander van de normalisatie van de grote
rivieren en de aanleg van scheepvaartkanalen, w.o. het
Noordhollands Kanaal. Met Christiaan Brunings en Adriaan Goudriaan
behoorde hij tot de belangrijkste adviseurs van Koning Willem I op
waterstaatkundig gebied. Van zijn publicaties noemen we:
Memorie van geschiedkundige aanteekeningen over de vroegere
binnendijksche waterontlastingen door sluizen en waterleidingen tot
in de buitenrivieren en de daarop gevolgde stichting der
windwatermolens etc. (1834). Zie ook: J.A.Beijerinck. Ref.:
De Physique Existentie dezes Lands (1987), JCBG, NBW1,
NGL, WP7, WT. (vdt050)
«
Artikel: Is Nederland uit een haff ontstaan? / D.H.S. Blaupot ten Cate UIT: De Ingenieur. - (1912) 11(16 maart). 's-Gravenhage: Belinfante, 1912
(Groningen 16 juni 1863 - Apeldoorn 6 okt. 1944), ingenieur.
Werkte als zelfstandig raadgevend civiel ingenieur te Groningen.
Schreef diverse rapporten en artikelen over geologie, archeologie
en waterstaat w.o. Het Eemskanaal, het Winschoter-, het
Muntendammer-, Dwars- en Oosterdiep en het Stadskanaal benevens de
Noord-Willemsvaart en het eerste pand van het Reitdiep, beschouwd
als scheepvaart- en afwateringskanalen (1902) en Ontwerp
tot verbetering van de Steenwijker-, de Wapserveensche- en de
Vledder Aa (1908). Woonde sinds 1935 te Arnhem en schreef daar
Het ontstaan van de Nederlandsche duinkust (1936). Ref.:
ING 1945 pA125. (vdt051)
«
(Rotterdam 2 dec. 1829 - Velp 29 nov. 1911), ingenieur. Een
veelzijdig man die in uiteenlopende functies werkzaam was bij de
waterstaat in Groningen, Den Haag, Middelburg en Arnhem.
Ontwikkelde apparatuur voor riviermetingen, verrichtte
waterpassingen over de Ooster- en Westerschelde en gaf leiding bij
de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland. Werkte, speciaal voor
de waterbouwkundige terminologie, mee aan het Woordenboek der
Nederlandsche Taal (1864 e.v.) van De Vries en Te Winkel.
Schreef o.m. De verbetering der Nederlandsche
hoofdrivieren (1880). Ref.: NBW9. (vdt052)
«
van Bleiswijk, Pieter
(Delft 1724 - Delft 1790), pensionaris [stadsadvocaat] van
Delft. Studeerde rechten, wis- en natuurkunde en promoveerde in
1744 op De Aggeribus (Lat.= over het bedijken). Was
curator van de Leidse Hoogeschool. Schreef o.m. Natuur- en
wiskundige verhandelingen over het aanleggen en versterken van
dijken (1778). Ref.: De physique existentie dezes
lands (1987), NBW10. (vdt053)
«
(De Wijk 12 febr. 1852 - Den Haag 26 dec. 1931), geograaf,
hoogleraar. Studeerde voor onderwijzer, later voor leraar in de
staatswetenschappen en in de geografie. Promoveerde in 1887 te
Straatsburg en was leraar te Harlingen, Rotterdam en Nieuwer
Amstel. Werd de grondlegger van de economische geografie in
Nederland; doceerde tot 1923 te Leiden, Rotterdam en Wageningen.
Oprichter van het Tijdschrift voor Economische Geografie en van
Vragen van den Dag, waarin hij vele honderden artikelen heeft
geschreven w.o. De Zuiderzee, haar ontstaan en de plannen tot
droogmaking (1892). Van zijn boeken noemen we: Van de Eems
tot de Schelde (4 dln., 1902-1905), Woeste gronden,
ontginningen en herbebossching van Nederland (1929) en Een
tijds- en levensbeeld 1852-1932 (autobiografie, postuum
verschenen in 1932). Zie ook: W.E.Boerman, R.Schuiling. Ref.: BWN3,
HJ, WP7. (vdt054)
«
De Blocq van Kuffeler, Victor Jean Pierre
(aangesproken als: Van Kuffeler; Rhenen 22 maart 1879 - Den Haag
1 juni 1963), ingenieur. Was, na in 1900 te zijn afgestudeerd aan
de PS te Delft, in verschillende functies werkzaam bij RWS, sinds
1919 bij de Dienst der ZZW. Volgde in 1929 H.Wortman op als DG,
welke rang hij van 1935 tot 1946 bekleedde als HID, opgevolgd door
J.F.R.van de Wall. Wegens zijn verdiensten voor de afsluiting en
gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee werd hem in 1949 door de
TH in Delft een eredoctoraat verleend. Was lid van de Zuiderzeeraad
en de Deltacommissie. Van zijn publicaties noemen we: Verslag
der onderzoekingen ... voor ... den aanleg van een gedeelte van de
afsluiting der Zuiderzee en indijking en droogmaking van de
Wieringermeer (3 dln., 1914), De ontwikkelingsgang bij de
Zuiderzeewerken (1950) en Veertig jaar
Zuiderzeewerken (rede bij aftreden uit de Zuiderzeeraad,
1960). Zijn naam werd gegeven aan het gemaal van Zuidelijk
Flevoland bij Almere. Zie ook: J.G.Schilthuis. Ref.: BJ64, ED,
E.Hermsen Dr.ir.S.Smeding (1988), ING 1963 pA406, LW 1959 n2 p77,
WID5-6, WND, WWN63, ZJI. (vdt055)
«
(Sliedrecht 18 mrt. 1920 - Utrecht 7 aug. 1976), ingenieur. Was,
na in 1950 afgestudeerd te zijn aan de TH in Delft, werkzaam bij
RWS. Was betrokken bij de bouw van kaden en muren in de haven van
Den Helder, bij de Rijnkanalisatie, de Volkerakwerken en van 1953
tot 1972 bij ontwerp en bouw van de uitwateringssluizen in het
Haringvliet. Was sinds 1971 HID van de Dir. Sluizen en Stuwen te
Utrecht. Schreef o.m. Rijnkanalisatie (met K.van Til en
A.Eggink; 1960) en De schutsluizen in het Volkerak (1965).
Ref.: ING 1976 p725, LW 1976 n9 p23. (vdt056)
«
(Oudega gem. Smallingerland 16 aug. 1824 - Den Haag 13 april
1910), jurist. Was advocaat en president van de rechtbank te
Heerenveen, schoolopziener, lid van de Hoge Raad en TK. Schreef
juridische, taalkundige en historische artikelen w.o. De alde
Fríske wetten oer de sédiken int liucht der skiednis biskôge
(1863) en De Middelzee, brokstukken uit Frieslands
geschiedenis (1889). Ref.: DWF4, EF. (vdt057)
«
Boekel, Pieter
(Zaandam 30 apr. 1832 - Abbenes 26 mrt. 1899), onderwijzer. Was
onderwijzer in de Haarlemmermeer, aanvankelijk te Rijk, en sinds
1860 als hoofdonderwijzer op het voormalige eiland Abbenes. Schreef
het eerste boek over deze droogmakerij: Geschiedenis van het
Haarlemmermeer in schetsen en tafereelen (1868). Ref.: W.Slob
Meester Boekel en zijn school (2000). (vdt058)
«
(Assen 22 nov. 1873 - Leeuwarden 6 mei 1961), jurist,
archeoloog. Studeerde rechten en promoveerde in 1897 te Groningen.
Was advocaat en raadsheer te Leeuwarden en had daarnaast grote
belangstelling voor de geschiedenis van Friesland. Was van 1897 tot
1916 beheerder van het Fries Museum en de bibliotheek, later
conservator van de archeologische en numismatische afdelingen en
van 1933 tot 1950 conservator van het Fries Museum. Wordt, met
A.E.van Giffen, beschouwd als grondlegger van de archeologie van
het Noordnederlandse terpengebied. Publiceerde talrijke artikelen
over de geschiedenis en archeologie van Friesland. Zijn meest
bekende boeken zijn De Friesche terpen (1906),
Friesland in den Romeinschen tijd (met C.W.Vollgraff;
1917) en zijn levenswerk Friesland tot de elfde eeuw
(1927). Ref.: EF, De Hollandsche Revue 1921 p809, WH 1961
p85, WID5-6, WP9. (vdt059)
«
(Den Ham 5 juni 1889 - Zwolle 5 aug. 1971), leraar, schilder.
Woonde en werkte als onderwijzer te Vroomshoop, Sleen en Blokzijl.
Was vanaf 1922 leraar aan de ambachtsschool te Deventer. Zijn
liefde voor de natuur uitte zich in het schilderen, pentekenen en
schrijven. Kreeg tekenles van zijn collega Bartus Korteling te
Deventer. Publiceerde in tijdschriften als De Levende
Natuur en In Weer en Wind over natuurhistorie en in
zijn onvolprezen boek Op en om de Wieden; de schoonheid van het
Overijssels merengebied (1947). Ref.: HM 2001 n3 p85, NBK.
(vdt060)
«
(Holwerd 7 juli 1845 - Witmarsum 9 juli 1902), jurist. Was
gemeentesecretaris, notaris en advocaat. Schreef o.m. Bijdrage
tot de geschiedenis der dijkplichtigheid in Friesland inzonderheid
met betrekking tot Oostergoo (1868). Ref.: EF. (vdt061)
«
Titelblad van: 100 jaar Nederlandse scheepvaart / door M.G. de Boer. - Den Helder ; Amsterdam : De Boer, 1939
(Groningen 18 maart 1867 - Amsterdam 15 mei 1958), historicus.
Studeerde geschiedenis in Groningen en promoveerde aan de
universiteit van Heidelberg. Was leraar in Goes en Amsterdam aan
verschillende scholen voor middelbaar onderwijs en redacteur van
het Tijdschrift voor Geschiedenis. Hij leefde voor "de
charme van het speuren" en publiceerde helder en overzichtelijk,
vooral over de geschiedenis van handel en scheepvaart w.o. zijn
standaardwerk De haven van Amsterdam en haar verbinding met de
zee (1926). Ref.: BJ59, BWN1, NGL, PKN, WID5. (vdt062)
«
(Arnhem 27 mei 1888 - Rotterdam 18 feb. 1965), geograaf,
hoogleraar. Was tot 1958 hoogleraar in de economische en sociale
geografie te Rotterdam. Wordt, met zijn voorganger Hendrik Blink,
beschouwd als de grondlegger van de economische geografie in ons
land. Was een pionier op het gebied van de ruimtelijke ordening en
ijverde voor de uitgave van de Atlas van Nederland (1963
e.v.). De University of Durham te Newcastle verleende hem een
eredoctoraat. Van zijn vele publicaties vermelden we slechts
Primaire waterwegen in Zuid-Holland (1941), de biografie
Roelof Schuiling (1941) en De Lopikerwaard (2
dln.; 1950). Ref.: BJ66, HJ, WID5-6, WP7, WWN63. (vdt063)
«
(Geervliet 4 sep. 1902 - 's-Gravenzande 24 apr. 1976),
ingenieur. Werkte, nadat hij in 1924 afstudeerde aan de TH in
Delft, bij RWS in verschillende functies. Zijn bijzondere
verdienste was het herstel van de in de Tweede Wereldoorlog
vernielde grote bruggen in ons land. Was van 1954 tot zijn
pensionering HID van de Directie Bruggen in Den Haag, opgevolgd
door H.Kuiper. Van zijn publicaties vermelden we: Opruiming en
herstelling van de bruggen voor gewoon verkeer over de groote
rivieren en belangrijke kanalen (met H.J.Romeijn; 1945) en
Bruggen over de Maas (1962). Ref.: ING 1976 p455, LW 1962
n4 p141, LW 1967 n5 p237-238. (vdt064)
«
(Zutphen 13 okt. 1874 - Amsterdam 17 feb. 1915), ingenieur,
leraar. Werkte, na zijn studie aan de PS te Delft, van 1895 tot
1904 bij RWS en daarna tot 1908 als leraar waterbouwkunde aan de
KMA in Breda. Was sindsdien werkzaam bij PW van Amsterdam en
initiatiefnemer tot het afnemen van examens voor waterbouwkundige
opzichters. Zijn naam blijft verbonden aan het Beknopt leerboek
der waterbouwkunde (met A.W.C.Dwars; 1913). Zie ook:
W.Barentsen, W.H.J.van der Hooft. Ref.: ING 1915 n8 p151-152.
(vdt065)
«
(Leiden 1704 - Leiden 1779), landmeter, cartograaf. Was sinds
1731 in dienst van het Hoogheemraadschap van Rijnland als landmeter
en studeerde enige tijd wiskunde in Leiden. Verrichtte metingen van
de ligging van bodem, oevers en kustlijn en adviseerde over de
verdediging ervan. Maakte een atlas van 24 bladen van de
waterstaatkundige toestand van Rijnland. Publiceerde over de
verzanding van de grote rivieren, hoge rivierstanden en maatregelen
ter voorkoming van overstromingen zoals in Memorie van nadere
consideratiën over de middelen welke aangewend zouden kunnen
worden, om het eminente gevaar .... te ontwijken, of merkelijk te
doen verminderen (met J.Lulofs; 1763). Ref.: NBW6.
(vdt066)
«
(Alkmaar 14 mei 1801 - Den Haag 2 nov. 1892), ingenieur. Werkte
voor de waterstaat te Nieuwe Diep bij de aanleg van het
Noordhollands Kanaal. Vanuit Leeuwarden regelde hij de vervening en
de vorming van slibfondsen in de gemeenten Aengwirden, Schoterland,
Haskerland en Opsterland. Schreef: Memorie omtrent den
tegenwoordigen toestand van den binnenlandschen waterstaat in de
provincie Friesland ... verbeteringen aan de kanalen van algemeene
afstrooming en scheepvaart (1860). Ref.: JCBG, NBW5.
(vdt067)
«
(Apeldoorn 4 dec. 1910 - Amersfoort 17 okt. 1991), ingenieur.
Werkte, na in 1938 aan de TH in Delft te zijn afgestudeerd, in NOI
en sinds 1953 bij het Hoogheemraadschap Noordhollands
Noorderkwartier te Alkmaar, laatstelijk als directeur van de
technische dienst. Schreef o.m. Rapport
binnenwaterkeringen (5 dln., 1959-1960) en De Hondsbossche
Zeewering door de eeuwen heen (1970). Ref.: LW 1962 n2 p104,
ING 1992 n1 p39. (vdt068)
«
van der Bom, Frederik Lambertus
(Amsterdam 8 okt. 1902 - Den Haag 21 mrt. 1994), ingenieur. Was,
na in 1924 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, sinds 1925 in
verschillende functies werkzaam bij de Dienst der ZZW. In 1940 werd
hij hoofd van de afdeling Noordoostpolder. Volgde in 1961
F.J.B.G.Geers op als HID en werd in 1967 in die functie opgevolgd
door M.Klasema. Was secretaris van verschillende secties van het
KIVI. Schreef diverse artikelen in de technische vaktijdschriften
w.o. De Noordoostelijke polder der Zuiderzeewerken (3
afl., 1942-1946) en, met C.J.van den Bout en J.C.le Nobel, De
Zuiderzeewerken; Zuidelijk Flevoland (1965). Ref.: AB, ED, LW
1967 n5 p239, WID5-6. (vdt069)
«
Eerste pagina van artikel: De veiligheid in den polder / M.C.E. Bongaerts. - TIJD In: De roomskatholieken boerenstand. - GEG: 10 (1931) 7 (12 november). - p. 289-290
(Roermond 9 jan. 1875 - Den Haag 10 mei 1959), ingenieur,
minister. Was, na in 1896 te zijn afgestudeerd aan de PS te Delft,
werkzaam bij RWS achtereenvolgens te 's-Hertogenbosch, Den Haag,
Breda, Nieuwendijk, Heusden, Breda, Dordrecht en Goes, laatstelijk
als hoofdingenieur. Was sinds 1913 lid van de TK, was van 1925 tot
1926 minister van Waterstaat, sinds 1925 ondervoorzitter en van
1940 tot 1945 voorzitter van de Zuiderzeeraad. Maakte deskundige
propaganda voor het bevaarbaar maken van de Maas door kanalisatie.
Schreef artikelen in De Ingenieur en verzorgde in opdracht
van het Ministerie van Waterstaat het magistrale werk De
scheiding van Maas en Waal, onder verlegging van de uitmonding der
Maas naar den Amer (1909) en Stroommetingen op onze
benedenrivieren (1911). Zie ook: H.van Oordt. Ref.: PKN, WG,
WID5-6, ZJI. (vdt070)
«
(Roermond 22 juni 1879 - Amsterdam 13 juni 1944), ingenieur. Was
oprichter en directeur van het Adviesbureau voor
Civiel-Ingenieurswerken, later Bongaerts, Kuyper en Huiswaard te
Den Haag. Schreef o.m. Het nieuwe Linge-gemaal (met A.van
der Mast; 1944-1945). Ref.: ING 1945 pA125, NP 1999. (vdt071)
«
Voorkant van boek: De Zuiderzee / K. Boonenburg. - Amsterdam : Allert de Lange, 1956
(Rijswijk 29 okt. 1916 - Hattum 21 feb. 1998), kunstschilder,
museumdirecteur. Werkte, na zijn opleiding aan de PA in Den Haag,
bij het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen aldaar, sinds
1954 als wetenschappelijk ambtenaar bij het Zuiderzeemuseum te
Enkhuizen en van 1962 tot 1979 als directeur van het Provinciaal
Overijssels Museum te Zwolle. Schilderde als autodidact
landschappen in impressionistische stijl. Schreef over water- en
windmolens en de scheepvaart en visserij op de voormalige
Zuiderzee: De windmolens van Nederland (1946), De
Zuiderzee (1956) en De stervende Zuiderzee (met
J.Lussenburg; 1963). Ref.: NBK, OLB, WWN1. (vdt(072)
«
(roepnaam: Tom; Den Helder 26 dec. 1898 -
Aerdenhout 16 jan. 1976), marineofficier, schrijver, tekenaar. Was,
na zijn opleiding aan het KIM in Den Helder, van 1920 tot 1930
luitenant ter zee bij de Koninklijke Marine. Werkte daarna bij de
KNZHRM, van 1947 tot 1963 als directeur. Schreef sinds 1934
artikelen over maritieme onderwerpen en boeken over het
reddingswezen zoals Storm op de kust (met P.O. Bakker; 1942) en
Tusschen mijnen en grondzeeën (1954). Schreef ook enkele
jongensboeken en was een verdienstelijk tekenaar en aquarellist.
Ontving in 1964 de De Ruytermedaille. Ref.: WID6. (vdt072a)
«
(Amsterdam 7 juli 1817 - Den Haag 5 jan. 1899), genie-officier,
ingenieur. Was, na in 1837 te zijn afgestudeerd aan de KMA in
Breda, vele jaren in dienst van de Genie. Speelde sinds 1860 een
belangrijke rol in de aanleg van spoorwegen in ons land. Ook op
Java werden sinds 1863 de eerste spoorlijnen onder zijn leiding
aangelegd. Was in de periode van 1878 tot 1885 tweemaal voorzitter
van het KIVI. Schreef o.m. De haven van het Nieuwe Diep
(1860). Ref.: GGK, ING 1899 11 feb, NBW1, WT. (vdt073)
«
(Dordrecht 27 mei 1892 - Eefde 2 april 1945), ingenieur,
watergraaf. Studeerde aan de TH in Delft en promoveerde op De
ontwikkeling der waterschappen in Gelderland (1930). Was
watergraaf van het Waterschap De Berkel. Kwam tijdens een
bombardement om het leven. Ref.: BDD, ING 1945 pA124.
(vdt074)
«
(Deventer 9 oktober 1827 - Utrecht 1 juli 1898), ingenieur.
Werkte sinds 1859 als technisch directeur bij de ijzergieterij en
machinefabriek van zijn schoonvader J.L. Nering Bögel in Deventer.
Schreef, naast een aantal technische verhandelingen over pompen en
bemaling, een beknopte biografische bijdrage: Meededeeling
omtrent Wybe Adam, Nederlandsch ingenieur in de zeventiende
eeuw (1895). (vdt074a)
«
(Huizum 15 dec. 1877 - Groningen 21 okt. 1939), bioloog, leraar.
Was aanvankelijk onderwijzer, daarna leraar plant- en dierkunde,
natuurkunde en aardrijkskunde in Nijmegen, in 1905 te Almelo en in
1907 te Leeuwarden. Studeerde in 1915 af in de plant- en dierkunde
en geologie in Groningen en promoveerde aldaar in 1916. Was van
1915 tot aan zijn dood leraar plant- en dierkunde aan verschillende
middelbare scholen in de stad Groningen. Zette zich in voor behoud
van de Friese taal en pleitte voor de beoefening van de heemkunde.
Schreef een aantal boeken in het Fries w.o. Fen Fryslan's
Groun; geologyske sketsen (1921) en diverse artikelen over het
ontstaan van het landschap w.o. De Friesche Kliffen
(1919), Het Prinsenhof (1934) en Het Wad (1935).
Ref.: EF, TJ, M.Wiegersma Libbensskets fen dr. Botke
(1942). (vdt075)
«
Bouman, Jacobus
(roepnaam: Kobus; Beemster 20 jan. 1799 - Beemster 6 jan. 1877),
landbouwer, lokaal historicus. Autodidact die van jongsaf boeken
verzamelde en artikelen overschreef. Publiceerde over de landbouw,
folklore en dialect van de Beemster, een autobiografie alsmede het
boek Bedijking, opkomst en bloei van de Beemster (1857;
herdruk 1977). Ref.: West-Frieslands Oud en Nieuw 1958
p99-114. (vdt076)
«
Voorkant van boek: Het verlaten eiland: Schokland in 1859 ontruimd / P.J. Bouman. - Urk : Stichting Urker Uitgaven, 1985
(Batavia 19 sep. 1902 - Groningen 10 maart 1977), socioloog,
hoogleraar, historicus. Studeerde economie in Rotterdam en
promoveerde bij Z.W.Sneller op Rotterdam en het Duitsche
achterland 1831-1851 (1931). Was leraar geschiedenis in
Middelburg, later hoogleraar in de sociologie te Groningen.
Publiceerde veel over cultuur en maatschappij, schreef enkele
gedenkboeken en een biografie. Zijn schrijverstalent blijkt o.m.
uit het boekje Het verlaten eiland (1975), over de
ontruiming van Schokland in 1859. Ref.: BJ78, BWN2, EZ, GEN,
WID5-6, WP7, WWN63. (vdt077)
«
(Middelburg 16 sept. 1862 - Den Haag 28 nov. 1924), ingenieur,
leraar. Was aanvankelijk leraar Frans in Engeland en sinds 1886
leraar Engels in Vlissingen. Verhuisde in 1890 naar Delft en
slaagde in 1894 aan de PS als civiel ingenieur en in 1895 als
bouwkundig ingenieur. Vestigde zich te Breda als architect,
stedenbouwkundige en als eigenaar van een betonfabriek. Was
daarnaast sinds 1898 leraar aan de KMA. Schreef enkele artikelen
w.o. De Westkapelsche zeedijk en Domburgsche zeeweringen
(1897). Ref.: ING 1925 n4 p84. (vdt078)
«
dr. ir. A.J. Zuur en ir. G.J. v.d. Bout: tijdelijke weg door de wilde vegetatie ten oosten van Dronten
(Nijmegen 31 dec. 1910 - Leeuwarden 7 jan. 1978), ingenieur.
Werkte, na in 1938 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, tot
1975 bij de Dienst der ZZW te Kampen, Lemmer, Vollenhove en Den
Haag, laatstelijk als hoofd van de afdeling Dijken en
Scheepvaartwegen. Schreef o.m. De Zuiderzeewerken; Zuidelijk
Flevoland (met F.L.van der Bom en J.C.le Nobel; 1965) en
Poldervaarten in Zuidelijk Flevoland (1967). Ref.: ING
1978 p104. (vdt079)
«
Voorkant van rapport: De voordeligste lengten en breedten van fruitteeltbedrijven uit het oogpunt van landinrichting en landgebruik / B.W. Braams en K.S. Feitsma. - Zwolle: Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, 1968. - (Flevobericht ; no. 57)
(Den Bosch 13 sep. 1927 - Holten 1 jan. 2001), landbouwkundig
ingenieur, historisch geograaf. Was, na in 1955 te zijn
afgestudeerd aan de LHS te Wageningen, tot 1988 werkzaam bij het
Ministerie van Landbouw en Visserij, sinds 1964 als consulent voor
de tuinbouw. Maakte sinds 1988 studie van de historische geografie
en promoveerde in 1995 aan de LU te Wageningen op Weyden en
zeyden in het broek; Middeleeuwse ontginningen en exploitatie van
de kommen in het Land van Heusden en Altena. Schreef verder
o.m. Het Land van Heusden en Altena na de Sint Elizabethsvloed
van 1421; de herdijkingen in de 15e eeuw (1990) en Oude
veldnamen in het Land van Heusden en Altena (1998).
(vdt080)
«
Titelblad van boek: De archaeologie van de Wieringermeer : een bijdrage tot de geschiedenis van het ontstaan der Zuiderzee / W.C. Braat. - Leiden: Brill, 1932
(Delft 4 feb. 1903 - Oegstgeest 28 mrt. 2000), archeoloog.
Studeerde letteren aan de RU te Leiden en promoveerde aldaar in
1932 op De archaeologie van de Wieringermeer; een bijdrage tot
de geschiedenis van het ontstaan van de Zuiderzee. Schreef
diverse artikelen over de archeologie van de Romeinse tijd en
vroege Middeleeuwen in Nederland zoals o.m. De Brittenburg
(1958) en De ontwikkeling van de kastelenbouw in Nederland in
de vroege middeleeuwen (1964). Zie ook: J.H. Holwerda.
(vdt81)
«
(Amsterdam 7 juli 1792 - Haarlem 29 nov. 1857), ingenieur.
Maakte studie van de spoorwegbouw in Engeland en gaf de aanzet tot
aanleg van de spoorwegen in ons land. Was in 1837 mede-oprichter
van de Hollandsche IJzeren Spoorwegmij. en tevens haar eerste
ingenieur-directeur. Opperde in 1845 plannen om Amsterdam van
drinkwater te voorzien vanuit de Vecht of de Lek. Zijn meest
bekende werk is het Handboek der waterbouwkunde (1844).
Ref.: CPE, NGL. (vdt082)
«
(Amsterdam ca. 1730 - Haarlem ca. 1800), zeevaarder. Was
aanvankelijk beurtschipper van Amsterdam op Rouen, Bremen en
Hamburg; later kapitein op de vaart naar Suriname. Schreef drie
publicaties over de slechte toegankelijkheid van Amsterdam vanuit
zee w.o. Scylla en Charybdis; behelzende een project ter
verbetering der zeegaten en het vaarwater van Texel en aanwinning
van eenige duizend morgen land (1780). Ref.: BW.
(vdt083)
«
(Lemmer 13 apr. 1842 - Lemmer 28 juni 1917), opzichter. Was vele
jaren hoofdopzichter van de Prins Alexanderpolder en schreef
diverse rapporten zoals Studiën over het verzanden van
riviermonden toegepast op en beschouwd in verband met den Waterweg
door den Hoek van Holland, benevens een plan tot het maken van een
voldoend diepen waterweg door den Hoek van Holland (1878) en
Polderbemaling (1897) en artikelen in o.m. De
Ingenieur. Was de eerste Nederlander die aandrong op
waterloopkundig onderzoek en daarin gesteund werd door J.Kraus.
Ref.: WND. (vdt084)
«
(Amsterdam 10 nov. 1865 - Amsterdam 7 mrt. 1927), archivaris.
Studeerde letterkunde aan de VU te Amsterdam en promoveerde aldaar
in 1894 op werk van P.C.Hooft. Was sindsdien werkzaam als
archivaris: aanvankelijk als vrijwilliger, sinds 1922 als
gemeentearchivaris van Amsterdam. Was daarnaast sinds 1896
bibliothecaris van de VU. Was van 1907 tot 1927 secretaris van het
genootschap Amstelodamum, sinds 1925 erelid; schreef vele artikelen
w.o. De Damsluizen (1916). Ref.: BWN1, VVU. (vdt085)
«
(Terneuzen 22 mei 1876 - Woudenberg 26 maart 1964),
waterbouwkundige. Werkte vele jaren met verschillende standplaatsen
bij RWS, laatstelijk in de rang van waterbouwkundige. Zijn naam
leeft voort als de auteur van het klassieke werk Holland's
rijshout (1920). (vdt086)
«
(IJzendijke 15 dec. 1830 - Maastricht 9 juli 1889), ingenieur.
Werkte in dienst van de waterstaat aan de spoorweg van Antwerpen
naar Moerdijk. Daarna te Den Haag, Gorinchem, Utrecht, Zutphen
(kanaal Apeldoorn-Dieren), Maastricht, Leeuwarden (uitbreiding
haven van Harlingen en dam op de Pollen) en Middelburg. Schreef:
Memorie behoorende bij het ontwerp voor het maken eener haven
te Harderwijk (1865) en, met T.J.Stieltjes: Het kanaal van
Apeldoorn naar Dieren (1865). Ref.: NBW2. (vdt087)
«
(Dieren 20 jan. 1885 - Utrecht 5 nov. 1952), ingenieur. Werkte,
na in 1907 te zijn afgestudeerd aan de TH te Delft, zijn hele leven
bij RWS, o.m. in Den Haag, Alkmaar, Den Bosch, Vlissingen en
Utrecht. Was van 1935 tot 1950 HID van RWS in de Directie Utrecht
en van 1944 tot 1945 waarnemend DG van RWS. Publiceerde in De
Ingenieur o.m. De keersluis te Vlissingen (met C.de
Groot; 1929) en De werken van het Amsterdam-Rijnkanaal tussen
de Vaartsche Rijn bij Jutphaas en de Lek bij Vreeswijk (1934).
Ref.: ING 1953 pA33-A34, PKN, WID5. (vdt088)
«
(Dordrecht 8 nov. 1879 - Bad Nauheim 6 okt. 1935), ingenieur.
Werkte, na in 1902 te zijn afgestudeerd als civiel ingenieur aan de
PS te Delft, vanuit diverse standplaatsen bij RWS, onderbroken door
buitenlandse havenstudies o.a. met J.Kraus en O.C.A.van Lidth de
Jeude. Schreef, met H.Wortman, Geschiedenis en beschrijving van
het Noordzeekanaal (1909). Ontwikkelde sinds 1923 het eerste
Rijkswegenplan (1927), werd HID van de directie Wegenverbetering en
was mede-oprichter van het Rijkswegenbouwlaboratorium (1927).
Overwerkt bezocht hij de bezweken golfbreker van Leixoes in
Portugal, waarna hij overleed in een kuuroord te Bad Nauheim. Ref.:
ING 1936 n2 pA11-A13, JCBG, TWG 2001 n2 p48-53, WT. (vdt089)
«
(Giethoorn 28 dec. 1900 - Colmschate 21 mei 1994), predikant,
publicist. Studeerde, na in Den Haag het gymnasium te hebben
doorlopen, theologie aan de UvA. Van jongs af een groot
natuurliefhebber zijnde, was hij fel gekant tegen de inpolderingen
in Noordwest-Overijssel in de eerste helft van de 20e eeuw. Trok in
Friesland veel op met natuurvriend R.J.de Stoppelaar. Stond als
doopsgezind predikant te Hindeloopen, Harlingen en Hilversum.
Werkte mee aan diverse dag- en weekbladen en was toneelrecensent
bij de AVRO. Schreef drie dichtbundels en boeken en artikelen over
cultuur en natuur w.o. Het land van de eendenkooien
(1929), Giethoorn, dorp tussen de Wieden (1980) en
Overijssels Noordwesthoek; land van oude steden en wijde
wieden (1984). Ref.: HM 2001 n3 p84, WWN1. (vdt090)
«
(Bergumerheide 18 sep. 1901 - Franeker 18 mrt. 1985),
romanschrijver. Was aanvankelijk straatmaker, later journalist en
kleinkunstenaar te Sneek, sinds 1957 te Diever. Populair schrijver
van gedichten, toneelstukken en romans w.o. Springtij (3
dln.; 1958-1970), over het vissersdorp Wierum tijdens de stormramp
van 1893. Verder het autobiografische Van gisteren naar
vandaag (1974). Ref.: EF, EW, LML, LNA, WP8. (vdt091)
«
(Den Haag 27 okt. 1898 - Soest 25 jul. 1981), bioloog,
natuurbeschermer. Vervulde, na in 1934 in Groningen te zijn
afgestudeerd als bioloog, verschillende functies op het gebied van
de natuurbescherming o.m. van 1947 tot 1963 als medewerker van het
Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie te Leiden. Promoveerde in
1954 te Leiden op een ornithologisch onderwerp. Schreef o.m.
Griend, het vogeleiland in de Waddenzee (deels gebaseerd
op gegevens van J.W.van Dieren; 1950). Ref.: IBV, WID6.
(vdt092)
«
(Tjalleberd 1749 - Ternaard 12 mei 1830), predikant. Was zijn
gehele werkzame leven predikant te Blija. Schreef enige
theologische verhandelingen; daarnaast: Nasporingen
betrekkelijk de geschiedenis der voormalige Middelzee in
Friesland (met W.Eekhoff; 1831). Ref.: EF. (vdt093)
«
Titelblad van: Nieuw land : overzicht van onze landaanwinning / A.G. Bruggeman. - 's-Gravenhage: Daamen, 1951
(Rotterdam 21 feb. 1913 - Den Haag 11 mei 2005), ingenieur.
Studeerde, na de opleiding weg- en waterbouwkunde aan de MTS in
Utrecht, aan de TH in Delft waar hij in 1940 afstudeerde als civiel
ingenieur. Werkte van 1941 tot 1978 bij de PWS van Zuid-Holland,
laatstelijk als adjunct HID belast met waterkering en
waterhuishouding. Was, na de stormvloedramp van 1953, nauw
betrokken bij de dichting van het dijkgat bij Ouderkerk a/d IJssel
en het dijkherstel op Goeree-Overflakkee. Schreef: Nieuw land;
overzicht van onze landaanwinning (1951), Enige
waterstaatkundige facetten van de afsluiting der zeegaten (met
F.P. Mesu; 1954) en Veilig land; overzicht der Deltawerken
(1960). Ref.: LW 1962 n6 p222. (vdt093a)
«
(Veendam 29 april 1896 - Rotterdam 26 november 1985), ingenieur.
Trad na het behalen van zijn HBS-diploma in 1913 in het leger en
studeerde in 1922 af als civiel ingenieur aan de TH in Delft. Sprak
en bestudeerde zeer vele talen. Trad in 1924 in dienst van GW van
Rotterdam en werd in 1945 directeur. Leidde ontwerp, bouw en
realisatie van de Maastunnel te Rotterdam en schreef daarover o.m.
De Maastunnel (1945). Was mede-oprichter en directeur van
Nedeco in Den Haag. Vestigde zich in 1953 als raadgevend ingenieur
te Rotterdam. Ref.: WT p172. (vdt094)
«
(roepnaam: Cor; Wormerveer 17 mei 1883 - Hilversum 16 nov.
1978), onderwijzer, schrijver. Was van 1906 tot 1916 onderwijzer en
had een belangrijk aandeel in de onderwijsvernieuwing. Schreef vele
jeugdboeken, schoolboekjes en streekromans. In De dijken
breken (1936) beschreef hij de strijd tegen het water door de
bevolking in Noord-Holland tijdens de stormvloedramp van 1916.
Ref.: F.T.Bijlsma Cor Bruijn (1977), BJ79, HLR, LML, LNA, LNL, PVL,
Waddenbulletin 1991 n1 p36-37, WP7. (vdt095)
«
(Rotterdam 18 juli 1896 - Wenum Wiesel 24 feb. 1977), ingenieur.
Studeerde in 1922 af aan de TH in Delft. Werkte bij RWS, vele jaren
bij de Directie Benedenrivieren, laatstelijk bij de Deltadienst als
hoofd van de afdeling Deltawerken Noord. Schreef o.m. De
afdamming van de Brielse Maas (1949-1951), De betekenis
van de stormvloedkering aan de mond van de Hollandse IJssel
(1957) en De afsluiting van het Haringvliet (1958).
(vdt096)
«
(Leeuwarden 5 okt. 1805 - Leeuwarden 26 maart 1885), apotheker.
Beoefende de scheikunde en botanie en leidde tientallen leerlingen
op tot apotheker. Verrichtte in 1837 een reeks meteorologische
waarnemingen te Leeuwarden. Schreef allerlei over de natuur, de
meren en de geologie van Friesland w.o. Geologische beschouwing
van het Rode Klif (1863). Ref.: EF, NBW9. (vdt097)
«
Brunings, Christiaan (1)
(neef van (2); Neckerau 3 nov. 1736 - Den Haag 16 mei 1805),
waterbouwkundige. Als 'Inspecteur-Generaal van 's lands rivieren'
kwamen sinds 1769 onder zijn leiding vele verbeteringen tot stand
aan de grote rivieren. Behoorde, met Jan Blanken en Adriaan
Goudriaan, tot de belangrijkste adviseurs van Koning Willem I op
waterstaatkundig gebied. Schreef o.m.: Verzameling van
rapporten, verbaalen en verdere stukken, betreffende de
doorsnijdingen en werken, welke sedert de convertie van den jaare
1771 op de bovenrivieren, tusschen Emmerik en Arnhem zijn aangelegd
... (2dln., 1798). Zie ook: J.H.Ferrand. Ref.: M.Dendermonde
De dijken (1957), GWG, GTW, JCBG, NBW1, P.van Schaik
Christiaan Brunings 1736-1805; waterstaat in opkomst
(1984), WND, WP7. (vdt098)
«
(neef van (1); Homburg 13 aug. 1756 - Leiden 30 maart 1826),
opzichter. Was in dienst van het Hoogheemraadschap van Rijnland
voor het kwartier van Spaarndam. Leidde de droogmaking van de
Nieuwkoopse en Mijdrechtse Plassen en ontwierp, met A.Blanken, een
plan voor droogmaking van de Zuidplas en de Waverveense Plassen.
Schreef o.m. Verhandeling over den voordeligsten hoek, onder
welken men de puntdeuren eener sluize kan zaamenvoegen (1797).
Zie ook: A.de Geus. Ref.: JCBG, NBW1, WND. (vdt099)
«
Op het eiland; Langbroek op Marken / door M.J. Brusse ; ill. Wilm Wouters. - Rotterdam: Brusse, 1923
(Amsterdam 26 juni 1873 - Schoorl 6 jan. 1941), journalist,
schrijver. Was sinds 1894 als redacteur verbonden aan de Nieuwe
Rotterdamse Courant; schreef veel over maatschappelijke
misstanden in de grote steden en op het platteland. Verder een
aantal boeken over de werkende mens w.o. Een beschrijving van
de leef- en werkomstandigheden van de biezensnijders, de
griendwerkers, de rietsnijders, de kooilieden en de hoepmakers in
de Biesbosch rond 1900 (1990) en Op het eiland; Langbroek
op Marken (1923). Ref.: BWN2, HLR, LML, LNA, LNL, WP7.
(vdt100)
«
Titelblad van het boek: Westergo's IJsselmeerdijken / M.P. van Buijtenen en H.T. Obreen. - Bolsward: A.J. Osinga N.V, 1956
(Rotterdam 4 sep. 1911 - Utrecht 14 jan. 1997), archivaris,
historicus. Was, na zijn studie wijsbegeerte en theologie aan een
seminarium, tot 1945 wetenschappelijk ambtenaar bij de provinciale
archiefinspectie in Noord-Brabant. Studeerde daarna rechten in
Groningen en promoveerde in 1953 aan de UvA. Was sinds 1949
rijksarchivaris in Friesland; schreef belangrijke studies over de
Friese geschiedenis en was lid van PS van Friesland. Was sinds 1963
rijksarchivaris in Utrecht. Schreef o.m. De Leppa, een
rechtshistorisch-waterstaatkundige bijdrage (1944), De
Fries-Groningse grens in Lauwerszee en Wadden (1954) en
Westergo's IJsselmeerdijken (met H.T.Obreen; 1956). Ref.:
EF, WID6. (vdt101)
«
Voorkant van boek: Beschouwingen over de afsluiting en het droogleggen der Zuiderzee / A. Buma. - Sneek: H. Pijttersen Tz., 1883
(Koudum 18 maart 1820 - Hindeloopen 29 nov. 1893), politicus.
Was lid van PS en TK en in 1886, met P.J.G.van Diggelen,
mede-oprichter en tot 1893 voorzitter van de Zuiderzeevereniging.
Publiceerde Memorie van beantwoording van het voorlopig verslag
... 7 december 1882 ... omtrent de afsluiting en het droogleggen
der Zuiderzee (1883). Zijn naam werd gegeven aan het gemaal
van de Noordoostpolder bij Lemmer. Ref.: EF, GPZ, IAZ, NBW5, VJB,
WG, ZJI, ZZP. (vdt102)
«
(Leeuwarden 8 mei 1828 - Den Haag 8 feb. 1900), jurist,
burgemeester. Promoveerde te Leiden op Bijdrage tot de
geschiedenis van het dijkregt in Friesland, inzonderheid met
betrekking tot de contributie der Vijf Deelen (1853). Was
burgemeester van Franeker en griffier van het Hof te Leeuwarden.
Ref.: EF. (vdt103)
«
(Leeuwarden 11 okt. 1802 - Leeuwarden 10 sep. 1873), jurist.
Studeerde rechten in Groningen en promoveerde aldaar in 1823. Was
aanvankelijk werkzaam als advocaat te Leeuwarden, later president
van het provinciaal gerechtshof. Maakte een omvangrijke
bronnenstudie van o.m. de waterstaat en schreef diverse
tijdschriftartikelen w.o. De Friese kust na de watervloed van
1825 (1873). Ref.: EF. (vdt104)
«
(Kampen 18 nov. 1862 - Rotterdam 13 dec. 1932), genie-officier,
ingenieur. Diende, na in 1883 zijn opleiding aan de MA te Breda te
hebben voltooid, tot 1888 bij het leger in NOI. Was van 1891 tot
1899 genie-officier in Haarlem, daarna adjunctdirecteur en van 1910
tot 1922 directeur van GW in Rotterdam als opvolger van G.J. de
Jongh. Vervulde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de
havens en oeververbindingen van Rotterdam. Werd voor zijn inzet na
de overstroming van 13-14 Januari 1916 onderscheiden met de
watersnood-medaille. Zijn meest bekende publicatie is het boekje
Oeververbindingen te Rotterdam (1921). Ref.: ING 1922 (n3
p59 en n18 p355), ING 1933 n13 pA117-A118, NRC 28 april 1922.
(vdt105)
«
(Dreischor 17 okt. 1899 - Utrecht 27 nov. 1991), ingenieur.
Werkte, na in 1925 te zijn afgestudeerd aan de TH in Delft, tot
1927 in Doetinchem en sindsdien bij RWS in Hoek van Holland, bij de
aanleg van het Julianakanaal, in Utrecht, Den Haag, Leeuwarden en
Groningen. Was sinds 1953 HID in de Directie Gelderland te Arnhem.
Schreef enige tijdschriftartikelen w.o. Het Friese
Kanalenplan (1949). Zie ook: F.Volker. Ref.: EF, WID6.
(vdt106)
«
Titelblad van boek: Verslag van een studiereis naar Duitschland, welke voor een bezoek aan de Oost-Friesche Waddeneilanden en de zeearmen Eems en Jade in mei en juni 1931 werd ondernomen / J.F. Schönfeld, I.L. Kleinjan, J.H. van der Burgt en J.P. Mazure. - 's-Gravenhage: Algemeene Landsdrukkerij, 1933
(IJmuiden 3 juli 1897 - Leeuwarden 10 aug. 1977), ingenieur.
Was, na in 1921 te zijn afgestudeerd aan de TH te Delft, werkzaam
in verschillende functies bij RWS: te Roermond, Hoorn, Leeuwarden
en Rotterdam. Daarna als HID in de directies Bovenrivieren,
Noord-Holland, Zuid-Holland en sinds 1953 in Zeeland. Was, na de
Februariramp van 1953, belast met de leiding van de Dienst
Dijkherstel Zeeland. Schreef voornamelijk in
technisch-wetenschappelijke tijdschriften, o.m. De
kustverdediging langs het oostelijke deel van de Noordzee en in het
bijzonder van Nederland (1933) en Veranderingen in den
zeebodem van het Zeegat van het Vlie en in de kustlijn der
Waddeneilanden Vlieland en Terschelling (1936) en een
hoofdstuk in De Technische Vraagbaak deel W: Stranden
en zeeduinen (1951). Vanuit historisch oogpunt interessant is:
Het technische beheer van de Nederlandse kust en van het
Nederlandse deel van het continentale plat (1968). Zie ook:
C.T.C.Heyning. Ref.: ING 1977 p694, LW 1962 n4 p131, WID6.
(vdt107)
«
(Neede 27 feb. 1918 - Enschede 10 mei 2000), journalist,
publicist. Begon zijn journalistieke loopbaan in 1937 bij het
Volksblad voor Twente. Was in de oorlogsjaren assistent
van J.B. Bernink in diens museum Natura Docet. Werkte daarna voor
diverse regionale bladen en sinds 1966 bij de Twentsche
Courant. Was de eerste directeur van de Twentse academie voor
streekcultuur, het tegenwoordige Van Deinse Instituut. Schreef
talloze artikelen over de streekcultuur en natuur van Twente en de
Achterhoek, was hoofdredacteur van het Jaarboek Twente en
schreef diverse boeken w.o. Dit land van de IJssel (1976),
Over Regge, Dinkel en Twentse beken (1977), Langs de
Geul (1985) en Regge en Dinkel, land van levend water
(1984). Zie ook: W.H.Dingeldein. Ref.: Twentsche Courant
Tubantia 2000 11 mei. (vdt108)
«
(Kloetinge 10 okt. 1817 - Utrecht 3 feb. 1890; begraven op zijn
landgoed De Dellen bij Heerde), fysicus, meteoroloog, hoogleraar.
Werd in 1847 hoogleraar in de wiskunde, in 1867 ook in de
natuurkunde te Utrecht. Was oprichter en eerste directeur van het
KNMI te Utrecht, sinds 1897 in De Bilt. Publiceerde in 1867 over de
naar hem genoemde wet betreffende de invloed van de draaiing van de
aarde op de windrichting. Schreef vele artikelen over meteorologie
maar ook over water, zoals Memorie betrekkelijk de waterstanden
op de Nederlandsche rivieren (1869). Ref.: NBW1, HLR, WP7.
(vdt109)
«